Gepubliceerde uitspraken
Index van openbaar gepubliceerde uitspraken van de Rechtspraak, met het gerecht en de rechters en advocaten die in de uitspraak genoemd worden. Van elke zaak tonen we de metadata en de inhoudsindicatie; de volledige uitspraak lees je bij de bron.
Uitspraken met mr. N. van Schaik
4 uitspraken · nieuwste eerst · pagina 1 van 1
Rijden terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst, art. 9.5 WVW 1994. Bewijsklacht bekendmaking en inwerkingtreding van besluit van CBR tot schorsing van geldigheid van rijbewijs. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat besluit van CBR aan verdachte bekend is gemaakt en op moment van tlgd. van kracht was? Voor bewezenverklaring van een op art. 9.5 WVW 1994 toegesneden tll. moet uit bewijsvoering allereerst blijken dat geldigheid van rijbewijs van verdachte is geschorst en dat dit besluit op moment van tlgd. van kracht was. O.g.v. art. 3:40 Awb geldt dat besluit tot schorsing van geldigheid van rijbewijs niet in werking treedt voordat het is bekendgemaakt. Deze bekendmaking kan plaatsvinden d.m.v. toezending of uitreiking aan belanghebbende, dan wel (als bekendmaking niet kan geschieden d.m.v. toezending of uitreiking) op andere geschikte manier (art. 3:41 Awb). Bij toezending geldt terpostbezorging door CBR als moment van bekendmaking. Volgens Awb is het bij deze manier van bekendmaking niet uitgesloten dat in besluit wordt bepaald dat geheel besluit of bepaald onderdeel ervan pas enige tijd na bekendmaking in werking treedt (vgl. RVS:2022:243). Uit bewijsvoering zal naar voren moeten komen dat besluit aan verdachte is verzonden of is uitgereikt, dan wel op andere geschikte manier bekend is gemaakt a.b.i. art. 3:41.2 Awb en op welke datum het besluit van kracht werd. Daarnaast moet uit bewijsvoering kunnen worden afgeleid dat verdachte t.t.v. besturen van motorrijtuig ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst. Dit vereiste hangt ermee samen dat art. 9 WVW 1994 een misdrijf oplevert; zo’n vereiste geldt bijvoorbeeld niet bij overtreding van art. 107 WVW 1994. Het verdient in dit type zaken aanbeveling dat van processtukken deel uitmaken (a) mededeling van CBR aan verdachte met besluit tot schorsing waarin is bepaald wanneer besluit tot schorsing in werking treedt en (b) aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending (dan wel andere manier van bekendmaking) van die mededeling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. OM is ervoor verantwoordelijk dat deze stukken, voordat zaak ttz. wordt behandeld, bij processtukken worden gevoegd (vgl. art. 149a.1 Sv), zo nodig door daartoe deze stukken (alsnog) op te vragen bij CBR. In voorkomend geval kan rechter (desnoods door aanhouding van behandeling van zaak) bewerkstelligen dat die stukken alsnog bij processtukken worden gevoegd. Als bewijs toch op andere manier door rechter wordt aangenomen, moet hij in beginsel in zaken waarin verdachte geen bekennende verklaring heeft afgelegd, nader motiveren hoe hij bewezenverklaring uit bewijs heeft afgeleid (vgl. HR:2025:826). Uit bewijsvoering kan niet zonder meer volgen dat besluit van CBR tot schorsing van geldigheid van rijbewijs van verdachte aan verdachte is bekendgemaakt en op moment van tlgd. van kracht was. Anders dan hof kennelijk heeft geoordeeld zijn (mede gelet op wat hiervoor is overwogen) voor bewijs gebruikte verklaring van verdachte en ‘s hofs vaststellingen over resultaten van raadpleging door verbalisanten van RDW-register daartoe niet voldoende. Wat betreft verklaring van verdachte is daarbij van belang dat daaruit weliswaar volgt dat verdachte op moment van verhoor op de hoogte was van schorsing, maar dat uit die verklaring niet kan worden afgeleid dat besluit tot schorsing van rijbewijs al op datum van tlgd. aan verdachte bekend was gemaakt en van kracht was. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. CAG: verwerping.
Doodslag door in 2020 in [plaats] in kantine van hun woning geweld op hoofd en hals van zijn partner toe te passen terwijl zij zwaar geïntoxiceerd is t.g.v. gebruik van GHB, art. 287 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Toerekening van dood van slachtoffer aan verdachte. Causaal verband tussen gedragingen van verdachte en dood van slachtoffer? 2. Bewijsklacht opzet. 3. Bewijsklacht alternatief scenario. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2012:BT6362 m.b.t. causaal verband en het redelijkerwijs toerekenen van gevolg aan verdachte. Hof heeft overwogen dat o.a. deskundige heeft verklaard dat slachtoffer hoogstwaarschijnlijk is overleden a.g.v. samendrukkend toesnoerend geweld op hals terwijl zij zwaar geïntoxiceerd was, waarbij deskundige verder heeft verklaard (i) dat slachtoffer ook zou zijn overleden zonder GHB-intoxicatie, (ii) dat samendrukkende of toesnoerende krachtsinwerking op hals bij leven heeft plaatsgevonden en (iii) dat GHB op dat moment nog niet tot dood van slachtoffer had geleid. Hof heeft daarom aannemelijk geacht dat overlijden van slachtoffer met aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het door verdachte gepleegde geweld is veroorzaakt en dat dit geweld daarmee kan worden aangemerkt als onmisbare schakel in gebeurtenissen die tot haar dood hebben geleid. Op grond hiervan heeft hof geoordeeld dat dood van slachtoffer in redelijkheid aan verdachte kan worden toegerekend. In dat oordeel ligt besloten dat, ook als t.t.v. bewezenverklaarde gewelduitoefening aanwezige GHB-intoxicatie van slachtoffer heeft bijgedragen aan intreden van dood, die omstandigheid niet meebrengt dat dood van slachtoffer na uiteindelijk door verdachte gepleegd geweld niet meer in redelijkheid aan verdachte zou kunnen worden toegerekend. ’s Hofs oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat het aan feitenrechter is om te beslissen wat hij van beschikbaar bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. Tegen die achtergrond doet aan begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel niet af dat enkele passages in rapporten of verklaringen ttz. van deskundige en andere deskundigen op zichzelf bezien ook andere gevolgtrekking zouden kunnen toelaten, en is van “denaturering” van verklaring van deskundige geen sprake. Daarbij is verder van belang dat het niet aan deskundige maar aan rechter is om uiteindelijke vaststellingen over causaal verband te doen en te oordelen of in geval als dit dood van slachtoffer aan verdachte kan worden toegerekend. Ad 2 en 3. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. Volgt verwerping.
Vuurwerkaanslag op woning in 2020 in Achterberg. Eendaadse samenloop van poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachte rade (art. 302.1 jo. 303.1 jo. 45.1 Sr) en opzettelijk ontploffing teweegbrengen met gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel (art. 157.1 en 157.2 Sr) door ’s nachts vuurwerkbom (aan elkaar getapete stukken Cobra 6) door brievenbus van woning te gooien. 1. Post-Keskin en deskundigenbewijs. Afwijzing van ttz. in hoger beroep (voorwaardelijk) gedaan verzoek tot nader deskundigenonderzoek nadat eerder verzoek om deskundigenonderzoek is toegewezen en dat onderzoek ook is uitgevoerd. 2. Bewijsklacht (voorwaardelijk) opzet op zware mishandeling. Ad 1. Zaak wordt erdoor gekenmerkt dat verdediging betrouwbaarheid van (voor verdachte belastend resultaat van) technisch onderzoek ter discussie heeft gesteld, dat zij verzoek heeft gedaan tot doen verrichten van tegenonderzoek, dat dat verzoek is toegewezen en heeft geresulteerd in opnieuw voor verdachte belastende deskundigenverklaring, en dat verdediging vervolgens andermaal verzoek heeft gedaan tot doen verrichten van tegenonderzoek. HR zet uiteen wat toetsingskader is dat rechter moet hanteren bij beoordeling van verzoek om tegenonderzoek nadat eerder verzoek om tegenonderzoek is toegewezen en dat onderzoek ook is uitgevoerd. Eis van eerlijke procesvoering kan meebrengen dat gevolg moet worden gegeven aan verzoek tot tegenonderzoek (vgl. HR:2005:AR7228). Van belang is dat verdachte het recht heeft om betrouwbaarheid van deskundigenverklaring met belastende strekking te onderzoeken. Er mag geen nadere onderbouwing van belang bij zo’n onderzoek worden verlangd. Evenals bij verzoek tot oproepen en horen van deskundige, geldt bij verzoek tot tegenonderzoek dat verdediging moet aanduiden welke onderdelen van belastende deskundigenverklaring zij betwist en/of aan nader onderzoek wil onderwerpen. Daarnaast mag toelichting worden verlangd over reden waarom dit onderzoek bij voorkeur in vorm van tegenonderzoek zou moeten plaatsvinden, mede gelet op andere manieren van toetsing die (mogelijk) in aanmerking kunnen komen (vgl. HR:2025:1711). Is verzoek tot tegenonderzoek gedaan, dan kan rechter (met inachtneming van verondersteld belang bij onderzoek naar betrouwbaarheid van belastende deskundigenverklaring) bij zijn beslissing op verzoek meewegen of doen verrichten van verzocht tegenonderzoek (meest) aangewezen manier is om dat betrouwbaarheidsonderzoek te doen, of dat die toetsing beter op andere manier kan plaatsvinden. In geval als in deze zaak aan de orde (waarin verdediging al in gelegenheid is gesteld om aan de hand van tegenonderzoek de betrouwbaarheid te (doen) onderzoeken van deskundigenverklaring, en waarin verdediging vervolgens verzoek heeft gedaan om door middel van nieuw deskundigenonderzoek de betrouwbaarheid te (doen) onderzoeken van eerste deskundigenverklaring en van resultaten van tegenonderzoek) mag wel nadere onderbouwing van belang bij dat nieuwe deskundigenonderzoek worden verlangd. Uit motivering van dat verzoek zal moeten blijken dat sprake is van voldoende belang bij nieuw onderzoek in het licht van betrouwbaarheid van onderzoek dat al is verricht. Het komt er daarbij o.m. op aan dat verdediging motiveert dat en waarom zij met eerder onderzoek (dat heeft geleid tot tweede deskundigenverklaring) niet behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om betrouwbaarheid van eerste deskundigenverklaring te toetsen. Opvatting dat in deze zaak (waarin deskundige van NFI door verdediging verzocht tegenonderzoek heeft verricht en van dat onderzoek schriftelijk verslag in dossier is gevoegd, terwijl dat verslag voor verdachte belastende strekking heeft) belang van verdachte bij doen verrichten van nader onderzoek, dit keer door NFO, moest worden voorondersteld en niet hoefde te worden onderbouwd, vindt geen steun in het recht. ’s Hofs oordeel dat noodzaak van nader onderzoek door NFO niet is gebleken en dat enkel feit dat verdachte het niet eens is met NFI-rapport onvoldoende onderbouwing vormt voor verzoek, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Ad 2. Hof heeft vastgesteld dat verdachte zwaar vuurwerk door brievenbus van woning heeft gegooid en dat dit vuurwerk daar in hal tot ontploffing is gekomen. Op grond hiervan heeft hof kennelijk geoordeeld dat verdachte bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn gedragingen tot zwaar lichamelijk letsel bij de in bewezenverklaring genoemde personen zouden leiden. Dat oordeel is, v.zv. het betrekking heeft op A, niet zonder meer begrijpelijk omdat uit bewijsvoering volgt dat A t.t.v. ontploffing niet in woning aanwezig was. Dit leidt bij gebrek aan belang niet tot cassatie. Als bewezenverklaring t.a.v. A vervalt, worden aard en ernst van wat verder ten laste van verdachte is bewezenverklaard in hun geheel beschouwd niet wezenlijk aangetast, terwijl ook kwalificatie van bewezenverklaarde ongewijzigd blijft. HR merkt nog op dat ook omstandigheid dat hof de vordering van A als benadeelde partij (deels) heeft toegewezen en ten behoeve van A voor gelijk bedrag een schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd, niet met zich brengt dat verdachte voldoende belang heeft bij cassatie. Volgt verwerping. CAG (strekking): (partiële) vernietiging t.a.v. onderdeel bewezenverklaring, vordering b.p. en opgelegde schadevergoedingsmaatregel, vrijspraak onderdeel tll. en niet-ontvankelijkverklaring van vordering b.p. Samenhang met 24/00653 J (niet gepubliceerd; art. 80a RO).
-
Deze index komt uit de open data van de Rechtspraak (uitspraken.rechtspraak.nl). Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd, met een link naar de volledige uitspraak bij de bron. Rechterspagina's zijn een registratie van publicaties, geen beoordeling. Klopt er iets niet?
