Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handenPlace4Law
Openbare bron · Rechtspraak.nl

Gepubliceerde uitspraken

Index van openbaar gepubliceerde uitspraken van de Rechtspraak, met het gerecht en de rechters en advocaten die in de uitspraak genoemd worden. Van elke zaak tonen we de metadata en de inhoudsindicatie; de volledige uitspraak lees je bij de bron.

45000uitspraken
3341rechters
Zoeken & filteren
Wis filters

Uitspraken met mr. J. Kuijper

16 uitspraken · nieuwste eerst · pagina 1 van 1

Hoge Raad06-10-2026

Feitelijk leidinggeven aan schuldwitwassen begaan door rechtspersoon (meermalen gepleegd), art. 420quater.1.b Sr. 1. Volgens daarvan opgemaakte akte is beroep o.m. niet gericht tegen onderdelen van het onder 2 primair, impliciet subsidiair, tlgd. feit waarvan verdachte werd vrijgesproken en beslissing over vordering benadeelde partij. Toelaatbare beperking cassatieberoep? 2. Verjaring, absolute verjaringstermijn (art. 70.1.2 jo. 72 Sr). Ad 1. Aan deze beperking moet worden voorbijgegaan om reden zoals uiteengezet in HR:2013:CA1610. V.zv. in akte is opgenomen dat beroep niet is gericht tegen vrijspraak van het onder 2 primair, cumulatief, tlgd. opdracht geven dan wel feitelijk leidinggeven aan schuldwitwassen door A B.V., is sprake van misslag omdat hof niet van dat feit heeft vrijgesproken. Ad 2. Hof heeft onder 2 primair, impliciet subsidiair, tlgd. bewezenverklaard en verdachte hiervoor veroordeeld, met vrijspraak van verdachte van overige onder 2 primair tlgd. Onder 2 primair, impliciet subsidiair, tlgd. opdracht geven dan wel feitelijk leiding geven aan (mede)plegen van schuldwitwassen is als misdrijf strafbaar gesteld in art. 420quater Sr jo. art. 47 en 51 Sr. Op schuldwitwassen was tot inwerkingtreding per 1-1-2015 van Wet tot verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit (Stb. 2014, 445) gevangenisstraf van 1 jaar gesteld. Sinds 1-1-2015 is op dat misdrijf gevangenisstraf van 2 jaren gesteld. Onder 2 primair, impliciet subsidiair, tlgd. is volgens tll. begaan: (i) in of omstreeks periode van 15-12-2011 tot en met 1-11-2016 wat betreft opdracht geven of feitelijk leiding geven aan het door B B.V. (mede)plegen van schuldwitwassen, en (ii) in of omstreeks periode van 21-8-02012 tot en met 1-11-2016, wat betreft opdracht geven of feitelijk leiding geven aan het door A B.V. (mede)plegen van schuldwitwassen. O.g.v. art. 70.1.2 jo. 72.2 Sr beloopt verjaringstermijn in dit geval ten hoogste 2 maal 6 jaren. Daarom is wat betreft onder 2 primair, impliciet subsidiair, tlgd. op datum van uitspraak van dit arrest het recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen, v.zv. het periode vóór 6-10-2014 betreft. Volgt (partiële) vernietiging en n-o verklaring OM t.a.v. feitelijk leidinggeven aan schuldwitwassen, v.zv. het periode vóór 6-10-2014 betreft, en terugwijzing. Samenhang met 23/04688.

ECLI:NL:HR:2026:1624Bekijk zaak
Hoge Raad06-10-2026

Zedenzaak. Ontucht met 5-jarig buurmeisje door 62-jarige verdachte bij verdachte thuis, art. 247 (oud) Sr jo. 248.2 (oud) Sr. 1. Bewijsklachten niet redengevende feiten en omstandigheden in bewijsvoering en vaststelling in nadere bewijsoverwegingen. 2. Bewijsklacht “aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige”. 3. Vordering benadeelde partij t.z.v. immateriële schade. Is sprake van aantasting in persoon “op andere wijze” a.b.i. art. 6:106.b BW? HR: art. 81.1 RO.

ECLI:NL:HR:2026:1611Bekijk zaak
Hoge Raad29-09-2026

Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. diefstal (art. 310 Sr), medeplegen diefstal (art. 311.1.4 Sr), diefstal d.m.v. valse sleutels (art. 311.1.5 Sr), bedreiging (art. 285.1 Sr) en belediging van ambtenaar (art. 266.1 jo. 267.1.2 Sr). Betekening dagvaarding in hoger beroep en inhoud akte van uitreiking, art. 36h.1 Sv. Kon hof oordelen dat dagvaarding in h.b. rechtsgeldig is betekend, nu akte van uitreiking niet identificerende gegevens vermeldt van persoon aan wie dagvaarding is uitgereikt? Aan dagvaarding van verdachte om te verschijnen ttz. in h.b. is akte van uitreiking gehecht. Deze akte houdt in dat dagvaarding is uitgereikt op adres A aan ander dan verdachte die zich op dat adres bevond en die heeft beloofd dagvaarding onmiddellijk aan verdachte te geven. Akte vermeldt als naam van ontvanger voornaam en bevat handtekening van ontvanger. Gegevens (soort en nummer) van identiteitsbewijs van ontvanger zijn niet ingevuld. Als dagvaarding ex art. 36e.1.b.1 en 36e.2.a Sv Sv wordt uitgereikt aan degene die zich op het in die bepaling bedoelde adres bevindt en die zich bereid verklaart stuk onverwijld aan geadresseerde te doen toekomen, moet o.g.v. art. 36h.1 Sv in akte van uitreiking de persoon worden vermeld aan wie gerechtelijke mededeling is uitgereikt. Strekking van dit voorschrift is dat achteraf kan worden nagegaan wie dagvaarding onder zich heeft genomen. Als in akte van uitreiking niet persoon is vermeld aan wie dagvaarding is uitgereikt, heeft dat verzuim (in geval dat verdachte niet ttz. is verschenen) in beginsel nietigheid van betekening van dagvaarding tot gevolg. Rechter kan echter van die nietigverklaring afzien, als anderszins uit stukken kan worden afgeleid aan wie dagvaarding is uitgereikt (vgl. HR:2024:1738). Hof heeft geoordeeld dat dagvaarding in h.b. geldig is betekend. Dit oordeel is (mede gelet op wat hiervoor is vooropgesteld) niet zonder meer begrijpelijk. Akte van uitreiking vermeldt uitsluitend voornaam als naam van persoon aan wie dagvaarding in h.b. is uitgereikt. In handtekening van ontvanger op akte van uitreiking is geen naam leesbaar. Gegevens van identiteitsbewijs van ontvanger zijn niet ingevuld. Uit akte van uitreiking kan dan ook niet worden afgeleid wie persoon is aan wie dagvaarding in h.b. is uitgereikt. Hof heeft er ook geen blijk van gegeven te hebben onderzocht of dit anderszins uit stukken kan worden afgeleid. HR verklaart betekening van dagvaarding in h.b. nietig. CAG (strekking) vernietiging en terugwijzing.

ECLI:NL:HR:2026:1553Bekijk zaak
Hoge Raad15-09-2026

Medeplegen opzetheling (meermalen gepleegd), art. 416.1.a Sr. Post-Keskin. Afwijzing van een ttz. in hoger beroep bij pleidooi gedaan voorwaardelijk verzoek tot horen van verbalisanten, op de grond dat sprake is van misbruik van procesrecht, nu sprake is van inactiviteit van verdediging en verzoek uitsluitend is bedoeld om hof te dwingen tot beslissing die voor verdachte gunstig is. Zijn afwijzing van verzoek tot horen van verbalisanten en gebruik van hun p-v van bevindingen voor bewijs verenigbaar met het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2025:1519 m.b.t. vraag welke betekenis toekomt aan omstandigheid dat in eerste aanleg of in h.b. pas bij inhoudelijke behandeling van zaak ttz. door verdediging wordt verzocht om bepaalde persoon als getuige te horen, terwijl verdediging al in eerder stadium van procedure bij betreffende instantie de mogelijkheid heeft gehad om zo’n verzoek te doen. In dat arrest heeft HR ook geval besproken, waarin verdediging eerder bij betreffende instantie uitdrukkelijk is gevraagd of zij onderzoekswensen heeft (waaronder wens getuigen te horen), waarbij er op dat moment duidelijk op is gewezen dat niet opgeven van onderzoekswensen wordt opgevat als niet hebben van zulke wensen, en op die vraag door verdediging niet is gereageerd. Hof heeft bij pleidooi gedaan verzoek van verdediging tot horen van verbalisanten als getuige afgewezen, omdat sprake is van misbruik van procesrecht. Daartoe heeft hof overwogen dat verdediging geen gebruik heeft gemaakt van eerdere gelegenheden om dit verzoek te doen, dat verdediging niet heeft gereageerd op brief van hof waarin haar is verzocht eventuele onderzoekswensen kenbaar te maken en dat verdediging op vraag waarom verzoek pas bij pleidooi is gedaan daarvoor geen navolgbare reden heeft gegeven, zodat hof moet vaststellen dat verzoek uitsluitend is bedoeld om hof te dwingen tot beslissing die voor verdachte gunstig is. Vervolgens heeft hof het p-v van bevindingen van deze verbalisanten voor bewijs gebruikt. ’s Hofs arrest is gewezen vóór 14-10-2025 zodat verdediging met inhoud van HR:2025:1519 nog niet bekend kon zijn en daarop haar handelen ook niet heeft kunnen afstemmen. Uit ‘s hofs vaststellingen kan ook niet volgen dat het de verdediging op andere manier duidelijk was dat aan onbenut laten van eerdere gelegenheden om getuigenverzoeken te doen en aan niet reageren op brief van verkeerstoren hof, consequenties zouden kunnen worden verbonden voor beoordeling van later alsnog gedaan getuigenverzoek. Brief van verkeerstoren hof houdt over mogelijkheid van zulke consequenties voor beoordeling van later alsnog gedaan verzoek niets in. Tegen deze achtergrond is ’s hofs oordeel dat verzoek tot horen als getuige van verbalisanten moet worden afgewezen, niet begrijpelijk. Ook omstandigheid dat hof de bewezenverklaring heeft aangenomen mede o.g.v. inhoud van het door verdachte betwiste p-v van bevindingen van verbalisanten, zonder dat verdediging hen als getuige heeft kunnen ondervragen, terwijl hof niet ervan blijk heeft gegeven te hebben nagegaan of procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces, is niet begrijpelijk (vgl. HR:2021:576). Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. CAG: anders.

ECLI:NL:HR:2026:1473Bekijk zaak
Hoge Raad08-09-2026

Mensenhandel door aangeefster in prostitutie te laten werken (meermalen gepleegd), art. 273f.1.4, 273f.1.6 en 273f.1.9 Sr. 1. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangeefster voldoende steun in andere bewijsmiddelen? 2. Vordering benadeelde partij t.z.v. immateriële schade. Is sprake van aantasting in persoon “op andere wijze” a.b.i. art. 6:106.b BW? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/03629 P (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, betrokkene n-o).

ECLI:NL:HR:2026:1419Bekijk zaak
Hoge Raad01-09-2026

Diefstal, art. 310 Sr. Eventuele opname in zorginstelling als bijzondere voorwaarde, art. 14c.2.10 en 14c.2.11 Sr en art. 6:6:19.1.b Sv. Is gestelde bijzondere voorwaarde dat verdachte zich “na goedkeuring door rechter” laat opnemen in zorginstelling voor kortdurende klinische opname als reclassering daartoe indicatie aanvraagt en deze verkrijgt, verenigbaar met art. 14c.2.10 Sr? O.g.v. art. 14c.2.10 Sr kan als bijzondere voorwaarde bij (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf de opneming van veroordeelde in zorginstelling worden gesteld. Beslissing of zich noodzaak voordoet van opneming van veroordeelde in zorginstelling en voor welke duur, is voorbehouden aan rechter (vgl. HR:2018:946). Dat is niet anders als rechter als onderdeel van bijzondere voorwaarde van ambulante behandelverplichting (a.b.i. art. 14c.2.11 Sr) heeft bepaald dat in geval bij verdachte sprake is van terugval in middelengebruik of verslechtering van psychiatrisch ziektebeeld, hij zich kortdurend klinisch moet laten opnemen. Ook in zo’n geval is beslissing of zich noodzaak van zo’n opneming voordoet, voorbehouden aan rechter. Daarvoor is dan in art. 6:6:19 Sv bedoelde procedure aangewezen, waarin rechter alsnog opneming van veroordeelde in zorginstelling als bijzondere voorwaarde kan stellen. In de door hof gestelde bijzondere voorwaarde ligt besloten dat, als reclassering een indicatiestelling voor kortdurende klinische opname aanvraagt en verkrijgt, die opname pas kan plaatsvinden als bijzondere voorwaarden door rechter o.g.v. art. 6:6:19 Sv in die zin zijn gewijzigd dat opneming van veroordeelde in zorginstelling als bijzondere voorwaarde wordt gesteld. Gelet hierop is door hof gestelde bijzondere voorwaarde, v.zv. deze inhoudt dat verdachte zich gedurende proeftijd bij terugval in middelengebruik of verslechtering van psychiatrisch ziektebeeld voor duur van maximaal 7 weken (of zo veel korter als reclassering nodig vindt) laat opnemen in geïndiceerde zorginstelling “na goedkeuring door rechter”, niet onverenigbaar met art. 14c.2.10 Sr. Dat neemt niet weg dat formulering van die voorwaarde aan bepaaldheid zou winnen als daarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar procedure van art. 6:6:19 Sv. Volgt verwerping. CAG: anders.

ECLI:NL:HR:2026:1377Bekijk zaak
Hoge Raad25-08-2026

Witwassen van geldbedrag (€ 831.929,50) bij verkoop van voetballer aan voetbalclub in Turkije (art. 420bis.1.b Sr) en voorhanden hebben van vuurwapen (art. 26.1 WWM). 1. Wijziging aanvangstijdstip tz. Kon hof oordelen dat verdachte rechtsgeldig is geïnformeerd over gewijzigde zittingstijd? 2. Openbaarheid onderzoek ttz. en kernroljurisprudentie. Lijdt onderzoek ttz. in hoger beroep aan nietigheid, nu raadsman niet fysiek aanwezig is geweest maar communiceerde via telefonische verbinding? HR: art. 81.1 RO.

ECLI:NL:HR:2026:1335Bekijk zaak
Hoge Raad14-07-2026

Bedreiging, art. 285.1 Sr. Vordering benadeelde partij t.z.v. immateriële schade (art. 6:106 BW) en oplegging schadevergoedingsmaatregel. Heeft hof aangegeven op welke in art. 6:106 BW vermelde grond de toewijzing van vordering b.p. is gebaseerd? Hof heeft vordering tot vergoeding van immateriële schade van b.p. als gevolg van bewezenverklaarde bedreiging toegewezen tot € 500, vermeerderd met wettelijke rente. Dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat deze vordering namens verdachte gemotiveerd is betwist. Daarbij is van belang dat uit ’s hofs overwegingen niet kan worden afgeleid op welke in art. 6:106 BW vermelde grond en op welke door hof vastgestelde omstandigheden het hof de toewijzing van vordering b.p. heeft gebaseerd (vgl. HR:2026:822). Dat brengt mee dat ook oplegging van de in art. 36f Sr voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. HR:2019:901). Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. vordering b.p. en oplegging van schadevergoedingsmaatregel.

ECLI:NL:HR:2026:1263Bekijk zaak
Hoge Raad14-07-2026

Verduistering in dienstbetrekking bij apotheek (meermalen gepleegd), art. 322 Sr. Vordering benadeelde partij t.a.v. gemaakte kosten ten behoeve van het door b.p. verrichte (eigen) onderzoek. 1. Rechtstreekse schade, art. 361.2.b Sv. Kon hof oordelen dat sprake is van rechtstreeks verband tussen kosten en bewezenverklaard feit? 2. Aanvangsdatum van wettelijke rente. Belang bij cassatie? HR: art. 81.1 RO.

ECLI:NL:HR:2026:1227Bekijk zaak
Hoge Raad14-07-2026

Medeplegen verkopen van harddrugs, art. 2.B Opiumwet. Vrijspraak in eerste aanleg t.z.v. deel van tlgd. periode. Bewijsklacht pleegperiode. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/01862.

ECLI:NL:HR:2026:1222Bekijk zaak
Hoge Raad14-07-2026

Medeplegen afdreiging door ander te dwingen tot afgifte van geldbedrag (€ 10.800) en mobiele telefoons en tot het aangaan van telefoonabonnementen, art. 318.1 Sr. Redelijke termijn in hoger beroep. Kon hof oordelen dat overschrijding van redelijke termijn in h.b. “meer dan 2 jaren en 2 maanden" bedraagt en dat overschrijding voldoende is gecompenseerd door deel van gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/01913 en 24/01914.

ECLI:NL:HR:2026:1188Bekijk zaak
Hoge Raad14-07-2026

Openlijke geweldpleging (art. 141.1 Sr) en wederspannigheid (art. 180 Sr). Redelijke termijn in hoger beroep. Had hof moeten beslissen op opmerking van raadsvrouw t.a.v. zeer forse overschrijding van redelijke termijn onder verwijzing naar datum waarop rechtsmiddel is aangewend gevolgd door stelling dat redelijke termijn met meer dan 4 jaren is overschreden? Gelet op wat raadsvrouw heeft aangevoerd over overschrijding van redelijke termijn in h.b., had hof hierover gemotiveerde beslissing moeten nemen. Zo’n beslissing ontbreekt in ‘s hofs uitspraak. HR doet zaak zelf af door ervan uit te gaan dat redelijke termijn bij behandeling van zaak in h.b. is overschreden en in het licht van opgelegde taakstraf van 60 uren te volstaan met oordeel dat redelijke termijn zowel bij behandeling van zaak in h.b. als in cassatieprocedure is overschreden. Volgt verwerping. Samenhang met 24/01913 en 23/01915.

ECLI:NL:HR:2026:1187Bekijk zaak
Hoge Raad14-07-2026

Poging tot afdreiging door te proberen ander te dwingen tot het aangaan van meerdere telefoonabonnementen, art. 318.1 Sr. Redelijke termijn in hoger beroep. Had hof moeten beslissen op opmerking van raadsvrouw t.a.v. zeer forse overschrijding van redelijke termijn onder verwijzing naar datum waarop rechtsmiddel is aangewend gevolgd door stelling dat redelijke termijn met meer dan 4 jaren is overschreden? Gelet op wat raadsvrouw heeft aangevoerd over overschrijding van redelijke termijn in h.b., had hof hierover gemotiveerde beslissing moeten nemen. Zo’n beslissing ontbreekt in ‘s hofs uitspraak. HR doet zaak zelf af door ervan uit te gaan dat redelijke termijn bij behandeling van zaak in h.b. is overschreden en in het licht van opgelegde taakstraf van 60 uren te volstaan met oordeel dat redelijke termijn zowel bij behandeling van zaak in h.b. als in cassatieprocedure is overschreden. Volgt verwerping. Samenhang met 24/01914 en 24/01915.

ECLI:NL:HR:2026:1186Bekijk zaak
Hoge Raad07-07-2026

Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. bijstandsfraude (art. 227b Sr) en gewoontewitwassen van geldbedragen (€ 60.000 en € 185.401), appartement en parkeerplaatsen (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr) door 10 jaren te verzwijgen dat zij in Spanje over onroerend goed beschikt. Betekening oproeping nadere t.z. in hoger beroep en status briefadres, art. 36e.1.b.1 Sv. Had poging tot uitreiking van oproeping nadere tz. in h.b. moeten worden gedaan op briefadres, nu verdachte op dat adres in BRP stond ingeschreven? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2002:AD5163 m.b.t. betekening van oproeping als niet-gedetineerde verdachte als ingezetene is ingeschreven in BRP en bij aanbieding van oproeping aan BRP-adres geen uitreiking heeft kunnen plaatsvinden. Bij het ontbreken van woonadres moet, voor toepassing van art. 36e Sv, briefadres a.b.i. art. 1.1 Wet BRP worden aangemerkt als adres waar geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in BRP waaraan gerechtelijke mededelingen kunnen worden betekend (art. 36e.1.b.1 Sv). Zo’n briefadres moet worden onderscheiden van (post)adres a.b.i. art. 36g Sv. Dat (post)adres is niet in art. 36e Sv bedoeld adres waaraan gerechtelijke mededelingen kunnen worden uitgereikt, maar adres waaraan in de in art. 36g Sv genoemde gevallen een afschrift moet worden toegezonden van oproeping van verdachte om op (nadere) tz. te verschijnen (vgl. HR:2015:3323). Uit stukken kan worden afgeleid dat verdachte t.t.v. betekenen van oproeping nadere tz. in h.b. niet was gedetineerd en dat zij in BRP stond ingeschreven op briefadres. Uit stukken volgt echter niet dat oproeping ter uitreiking is aangeboden op dat adres van verdachte. ‘s Hofs oordeel dat oproeping geldig is betekend is (gelet op wat hiervoor is vooropgesteld) niet begrijpelijk. Daaraan doet niet af dat afschrift van oproeping naar dat adres is verzonden, nu deze verzending geen deel uitmaakt van betekening. HR verklaart betekening oproeping nadere t.z. in h.b. nietig. CAG (strekking): vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 24/03481 P.

ECLI:NL:HR:2026:1163Bekijk zaak
Hoge Raad23-06-2026

Medeplegen witwassen van auto (art. 420bis.1.b Sr) en gewoontewitwassen van geldbedragen (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr). 1. Post-Keskin. Afwijzing van een bij appelschriftuur gedaan, ttz. in hoger beroep gehandhaafd en op nadere ttz. in h.b. herhaald (voorwaardelijk) verzoek tot horen van garagehouder als getuige, op de grond dat noodzaak daartoe ontbreekt. Afwijzing begrijpelijk en voldoet procedure in haar geheel aan art. 6 EVRM? 2. Bewijsklachten witwassen t.a.v. medeplegen en opzet. 3. Overschrijding redelijke termijn in feitelijke aanleg. Kon hof volstaan met vermindering van op te leggen gevangenisstraf van 7 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, tot 7 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 25/02892.

ECLI:NL:HR:2026:952Bekijk zaak
Hoge Raad01-07-2025

OM-cassatie. OM n-o in vervolging t.z.v. opzettelijk niet voldoen aan fiscale informatieplicht (art. 47.1 jo. 69.1 AWR). Kon hof OM n-o verklaren in vervolging wegens gebruik voor strafrechtelijke doeleinden van de door Duitse autoriteiten verstrekte informatie? Om redenen vermeld in HR:2025:1033 slagen middelen. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 24/01530, 24/01531, 24/01532, 24/01533, 24/01534, 24/01535, 24/01536 en 24/01537.

ECLI:NL:HR:2025:1034Bekijk zaak

Deze index komt uit de open data van de Rechtspraak (uitspraken.rechtspraak.nl). Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd, met een link naar de volledige uitspraak bij de bron. Rechterspagina's zijn een registratie van publicaties, geen beoordeling. Klopt er iets niet?