Gepubliceerde uitspraken
Index van openbaar gepubliceerde uitspraken van de Rechtspraak, met het gerecht en de rechters en advocaten die in de uitspraak genoemd worden. Van elke zaak tonen we de metadata en de inhoudsindicatie; de volledige uitspraak lees je bij de bron.
Uitspraken met mr. L.E.G. van der Hut
5 uitspraken · nieuwste eerst · pagina 1 van 1
OM-cassatie en cassatie klager. Beklag ex art. 98.4 jo. art. 552a Sv tegen beschikking Rb over toelaatbaarheid van uitlevering van bestanden op digitale gegevensdragers i.v.m. verschoningsrecht van klager (waarnemer van protocol van oud-notarissen), na tegen andere notaris en diens notarieel juridisch medewerker gerezen verdenking van overtreding van Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en witwassen. 1. OM-cassatie. Kon Rb oordelen dat zich geen zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan verschoningsrecht van de klager moet worden doorbroken? 2. OM-cassatie. Kon Rb oordelen dat stukken die via openbare registers kunnen worden opgevraagd ook onder verschoningsrecht vallen? 3. Cassatie klager. Geen schriftuur. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2024:1290 m.b.t. zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin belang dat waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven verschoningsrecht. Wat betreft belang van waarheidsvinding geldt als beoordelingsmaatstaf of betreffende gegevens redelijkerwijs in zodanig direct verband staan met strafbaar feit waarvan vermoeden bestaat dat dit is begaan, dat deze gegevens kunnen dienen om waarheid aan het licht te brengen (vgl. HR:1999:ZD7280). Rb heeft geoordeeld dat geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan verschoningsrecht van klager moet wijken voor belang van waarheidsvinding. Rb heeft aan oordeel o.m. ten grondslag gelegd dat datering van veel stukken waarop verschoningsrecht rust, buiten periode valt waarop verdenking ziet, en dat (nu door geheimhouders OvJ niet specifiek is aangeduid wat “directe link” is tussen die stukken en verdenking in strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte notaris en juridisch medewerker) niet zodanig verband bestaat tussen stukken die onder verschoningsrecht vallen en verdenking, dat inbreuk op verschoningsrecht noodzakelijk is. Daarmee heeft Rb (niet onbegrijpelijk) tot uitdrukking gebracht dat, wat betreft belang van waarheidsvinding, deze stukken niet in zodanig direct verband staan met strafbaar feit waarvan vermoeden bestaat dat dit is begaan, dat deze gegevens kunnen dienen om waarheid aan het licht te brengen. Ook daarop voortbouwend oordeel van Rb dat geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan verschoningsrecht van klager moet wijken voor belang van waarheidsvinding (waarin Rb verder nog heeft betrokken dat klager in deze zaak zelf geen verdachte is en dat niet is komen vast te staan dat relevante gegevens niet op andere manier kunnen worden verkregen), getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 2. Rb heeft t.a.v. enkele stukken overwogen dat “stukken die via openbaar register kunnen worden opgevraagd, ook onder verschoningsrecht van klager vallen, omdat ook t.a.v. deze stukken niet gezegd kan worden dat er redelijkerwijs geen twijfel over bestaat dat standpunt van klager onjuist is”. Rb is daarmee uitgegaan van onjuiste rechtsopvatting. Stukken die raadpleegbaar zijn via openbare registers, kunnen als zodanig niet worden aangemerkt als stukken waarover verschoningsrecht zich uitstrekt. Dat kan onder omstandigheden anders zijn, o.m. als dergelijke stukken deel uitmaken van andere stukken die onder verschoningsrecht vallen. Rb heeft echter niet vastgesteld dat van zo’n samenhang met andere stukken sprake is. Dat hoeft echter bij gebrek aan belang niet tot vernietiging van uitspraak Rb en terugwijzing van zaak te leiden, nu het gaat om stukken die via openbare registers kunnen worden opgevraagd en waarover OM dus zelf beschikking kan krijgen. Ad 3. Geen middelen ingediend, klager n-o. Volgt verwerping. Samenhang met 25/04731 Bv. Vervolg op HR:2024:1290.
Beklag ex art. 98.4 jo. 552a Sv door Nederlandse en Belgische advocaten tegen beslag op gegevensdragers en tegen vordering van historische administratieve gegevens, waarbij dataset van miljoenen bestanden onder leiding van RC is gefilterd aan de hand van lijst met zoektermen met als doel verwijderen van mogelijk verschoningsgerechtigde gegevens en RC heeft beslist dat OvJ mag kennisnemen van de na filtering overgebleven fysieke en digitale bestanden en documenten. Rb heeft klaagschriften n-o verklaard v.zv. die zijn gebaseerd op art. 98.4 Sv en klaagschriften gegrond verklaard (met bevel tot nadere filtering onder leiding van RC) v.zv. die zijn gebaseerd op art. 552a Sv. 1. Beklagmogelijkheid bij vorderen van gegevens. Staat voor verschoningsgerechtigde (overeenkomstig art. 98.4 Sv) beklag open tegen beslissing van RC dat kennisneming van gevorderde gegevens is toegestaan? 2. Ontvankelijkheid klaagschrift. Kon Rb klaagschriften n-o verklaren v.zv. die zijn gebaseerd op art. 98.4 jo. 552a Sv? 3. Beperking cassatieberoep. Moet worden voorbijgegaan aan beperking dat beroepen niet zijn gericht tegen gegrondverklaring van klaagschriften v.zv. die zijn gebaseerd op art. 552a Sv? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2024:1560 en HR:2024:314 over (beklag)regeling van art. 98 Sv. Regeling van art. 98 Sv is in wet niet van toepassing verklaard in relatie tot vorderen van gegevens (vgl. HR:2024:375). Belangen die met verschoningsrecht zijn gemoeid, kunnen echter noodzakelijk maken dat RC ook in zo’n geval beslissing neemt overeenkomstig art. 98 Sv. Dat is het geval als vordering (mede) betrekking heeft op gegevens ten aanzien waarvan redelijk vermoeden bestaat dat zij onder verschoningsrecht vallen en selectie van gegevens niet mogelijk is zonder inhoudelijk daarvan kennis te nemen. OvJ moet daartoe vordering a.b.i. art. 181 Sv richten aan RC. Gegevens moeten in handen worden gesteld van RC, zodat deze kan beslissen of kennisneming is toegestaan. Deze beslissing wordt door RC neergelegd in beschikking. Redelijke wetstoepassing brengt met zich dat tegen beslissing van RC dat kennisneming is toegestaan, voor verschoningsgerechtigde (overeenkomstig art. 98.4 Sv) beklag openstaat bij (raadkamer van) gerecht in feitelijke aanleg waarvoor zaak wordt vervolgd. Tegen beschikking van dit gerecht staat cassatieberoep open (vgl. HR:2017:1205, HR:2024:375 en HR:2025:1788). Ad 2. Oordeel Rb komt erop neer dat beslissing van RC dat OM mag kennisnemen van de na filtering overgebleven fysieke en digitale bestanden en documenten omdat naar oordeel van RC voldoende is gewaarborgd dat ten aanzien daarvan verschoningsrecht niet wordt geschonden, niet kan worden opgevat als beslissing a.b.i. art. 98.3 Sv. Oordeel Rb geeft blijk van onjuiste rechtsopvatting. Beslissing die RC o.g.v. art 98.3 Sv neemt, strekt ertoe te bepalen welke voorwerpen aan OM ter beschikking mogen worden gesteld of van welke gegevens OM mag kennisnemen, en voor welke voorwerpen of gegevens dit niet wordt toegelaten. Beklag dat o.g.v. art. 98.4 Sv voor verschoningsgerechtigde openstaat, richt zich dan ook tegen beslissing van RC v.zv. deze inhoudt dat voorwerpen aan OM ter beschikking worden gesteld of dat van gegevens mag worden kennisgenomen. Dit betekent dat tegen beslissing van RC dat OvJ mag kennisnemen van de na filtering overgebleven fysieke en digitale bestanden en documenten, voor klagers als verschoningsgerechtigden (zowel t.a.v. inbeslaggenomen voorwerpen als t.a.v. gevorderde gegevens) beklag a.b.i. art. 98.4 jo. 552a Sv openstaat. Manier waarop selectie van (digitale) stukken en gegevens heeft plaatsgevonden, kan in beoordeling van beklag worden betrokken. Ad 3. Er is geen redelijk doel gediend met beoordeling van beklag a.b.i. art. 98.4 jo. 552a Sv na terugwijzing, als tegelijkertijd beslissing in bestreden beschikking over uitvoeren van nadere filtering als onherroepelijke beslissing zou gelden. Om Rb na terugwijzing in staat te stellen naar behoren opnieuw recht te doen, moet aan beperking van beroepen worden voorbijgegaan. HR zal bestreden beschikking ook vernietigen v.zv. daarin (o.g.v. art. 552a Sv) oordeel is gegeven over uitvoeren van een nadere filtering. Volgt (integrale) vernietiging en terugwijzing. CAG: anders t.a.v. beklagmogelijkheid bij gevorderde gegevens.
Profijtontneming, w.v.v. uit medeplegen mensenhandel door slachtoffers in prostitutie te laten werken. Hoofdelijke betalingsverplichting ex art. 36e.7 Sr. Kon hof aan betrokkene betalingsverplichting opleggen voor geheel bedrag aan w.v.v.? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2015:878 m.b.t. opleggen hoofdelijke betalingsverplichting bij ‘gemeenschappelijk voordeel’. Tegen deze achtergrond is ’s hofs oordeel dat betalingsverplichting hoofdelijk moet worden opgelegd, niet toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat uit bewijsvoering in strafzaak volgt dat opbrengst van mensenhandel van slachtoffer A deels is overgeboekt naar bankrekeningen van medebetrokkene, terwijl hof in ontnemingsprocedure niet heeft vastgesteld dat betrokkene en medebetrokkene daarover gezamenlijk beschikking hebben of gedurende zekere tijd gezamenlijk beschikking hebben gehad. Aan die bewijsvoering kan daarom niet zonder meer worden ontleend dat betrokkene daadwerkelijk gezamenlijk met medebetrokkene de beschikking heeft of gedurende zekere tijd de beschikking heeft gehad over gehele opbrengst van bewezenverklaarde feiten en dat op die grond wederrechtelijk voordeel voor geheel als gemeenschappelijk voordeel aan betrokkene kan worden toegerekend. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 24/00367.
Medeplegen mensenhandel door slachtoffer in prostitutie te laten werken (meermalen gepleegd), art. 273f.1.1, 273f.1.4, 273f.1.6 en 273f.1.9 jo. 273f.3.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht medeplegen. 2. Vordering benadeelde partij t.a.v. materiële schade en oplegging schadevergoedingsmaatregel. Is toewijzing vordering b.p. toereikend gemotiveerd, aangezien hof bij begroting van materiële schade niet in aanmerking heeft genomen dat b.p. € 100 heeft ontvangen voor kleding en schoenen? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Hof heeft aan oordeel dat verdachte als medepleger kan worden aangemerkt ten grondslag gelegd dat (i) verdachte de medeverdachte en slachtoffer in huis heeft genomen, (ii) verdachte heeft voorgesteld om slachtoffer via website met mannen af te laten spreken en daar geld voor te krijgen, (iii) verdachte profijt heeft gehad van de door slachtoffer verkregen inkomsten en (iv) verdachte de rol van medeverdachte heeft overgenomen op moment dat medeverdachte in ziekenhuis lag en werksituatie van slachtoffer toen niet anders was. Op deze vaststellingen gegrond oordeel van hof dat sprake is van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG is klacht gegrond. CAG: Uit gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat slachtoffer € 100 heeft ontvangen voor kleding en schoenen. Hof heeft bij schatting van materiële geleden schade gebruikgemaakt van die tot bewijs gebezigde verklaringen van slachtoffer. Gelet daarop is niet zonder meer begrijpelijk dat hof niet ook rekening houdt met, uit diezelfde verklaringen blijkende, € 100. Dat brengt mee dat ook oplegging van de in art. 36f Sr voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. HR:2019:901). HR doet zaak zelf af en vermindert t.a.v. materiële schade toegewezen vordering b.p. en opgelegde schadevergoedingsmaatregel van € 11.590 met € 100. Samenhang met 24/00368 P.
OM-cassatie en cassatie verdachte. Vrijspraak t.z.v. witwassen van auto (art. 420bis.1 Sr) en veroordeling t.z.v. medeplegen witwassen van 2 horloges (art. 420bis.1.a en 420bis.1.b Sr). 1. OM-cassatie. Afkomstig uit enig misdrijf. Kon hof oordelen dat in art. 6.2 EVRM neergelegde onschuldpresumptie in de weg staat aan oordeel dat auto (gedeeltelijk) van misdrijf afkomstig is? 2. Cassatie verdachte. Bewijsklacht. Heeft hof bewezenverklaring toereikend gemotiveerd? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2004:AP2124 en HR:2018:2352 m.b.t. bewijs van bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf” in witwasbepalingen. Hof heeft overwogen dat in tll. bedoelde auto toebehoorde toe aan A. Er zijn aanwijzingen dat vermogen van A van misdrijf afkomstig is en dat verdachte na overlijden van A handelingen heeft verricht t.a.v. auto. A is niet voor witwassen of onderliggende gronddelicten vervolgd en in art. 6.2 EVRM neergelegde onschuldpresumptie staat eraan in de weg dat postuum schuld van A aan strafbaar feit wordt vastgesteld. Daarvan zou sprake zijn als zou worden vastgesteld dat auto uit misdrijf afkomstig is, waarbij mogelijkheid dat dit misdrijf door A gepleegd strafbaar feit is niet denkbeeldig zou zijn. Op deze overwegingen heeft hof gebaseerd dat het “verder geen oordeel kan en zal geven aangaande al dan niet criminele herkomst van vermogen van A en hier in geding zijnde auto”. Hof heeft verdachte vervolgens vrijgesproken van witwassen van auto. Daarmee heeft hof, nog los van wat in CAG naar voren is gebracht over art. 6.2 EVRM, miskend wat hiervoor is vooropgesteld. Hof had slechts te beoordelen of auto als zodanig uit enig misdrijf afkomstig was en niet of A persoonlijk in verband daarmee strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR:2006:AU6712). Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Afgezien van enkele vaststellingen is bewezenverklaring t.a.v. horloges niet van enige motivering voorzien. Dat zou wellicht voldoende kunnen zijn voor bewezenverklaring van zelfstandig verrichten van verwerven en voorhanden hebben van 1 horloge, maar niet voor ander horloge en voor overige elementen van bewezenverklaring m.b.t. beide horloges. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 24/01863.
Deze index komt uit de open data van de Rechtspraak (uitspraken.rechtspraak.nl). Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd, met een link naar de volledige uitspraak bij de bron. Rechterspagina's zijn een registratie van publicaties, geen beoordeling. Klopt er iets niet?
