Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handenPlace4Law
Openbare bron · Rechtspraak.nl

Gepubliceerde uitspraken

Index van openbaar gepubliceerde uitspraken van de Rechtspraak, met het gerecht en de rechters en advocaten die in de uitspraak genoemd worden. Van elke zaak tonen we de metadata en de inhoudsindicatie; de volledige uitspraak lees je bij de bron.

20000uitspraken
2174rechters
Zoeken & filteren
Wis filters

Uitspraken met mr. N.C. Blomjous

4 uitspraken · nieuwste eerst · pagina 1 van 1

Rechtbank Den Haag13-10-2026

Kennisgeving artikel 6, derde lid, van de Vw. De rechtbank is van oordeel dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. In het proces-verbaal van gehoor is opgenomen dat om 9:50 uur, meteen bij aanvang van het gehoor, aan eiser wordt medegedeeld dat aan hem een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd en dat eiser gedurende de behandeling van zijn aanvraag wordt ingesloten in een vreemdelingendetentiecentrum. De beslissing tot oplegging van de maatregel is dus genomen, terwijl het gehoor waarin eiser zijn persoonlijke omstandigheden en bezwaren tegen de grensdetentie naar voren kan brengen, nog moest plaatsvinden. Niet is gebleken dat eiser voorafgaand aan deze mededeling al gehoord was over zijn persoonlijke omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de beoordeling of de grensdetentie voor hem onevenredig bezwarend is. Beroep gegrond.

ECLI:NL:RBDHA:2026:30176Bekijk zaak
Rechtbank Den Haag20-04-2026

Einduitspraak na arrest Multan van 29 januari 2026 / artikelen 23, eerste lid, en 46 eerste lid, van richtlijn 2013/32, artikel 5 van richtlijn 2008/115 / artikelen 4, 19, tweede lid, 47 van het Handvest / 8:29 Awb. De rechtbank heeft na het arrest Multan op 12 maart 2026 een tussenuitspraak gedaan. De rechtbank heeft in die uitspraak bepaald dat verweerder -zelf- kennis moet nemen van de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht en van de stukken die zien op de wijze waarop Buitenlandse Zaken in Pakistan het onderzoek heeft verricht. De rechtbank heeft tevens bepaald dat eiser door tussenkomst van een ‘special advocate’ kennis moet kunnen nemen van al deze stukken. Verweerder heeft medegedeeld dat hij niet zal voldoen aan de tussenuitspraak, zodat de rechtbank nu een einduitspraak doet. Omdat verweerder niet van de gehele inhoud van het dossier kennis heeft genomen, is de beschermingsbehoefte reeds hierdoor niet grondig genoeg onderzocht en is (het handhaven van) het besluit onzorgvuldig voorbereid en ontoereikend gemotiveerd. De rechtbank heeft in de verwijzingsuitspraak gedetailleerd beschreven wat de voor de onderhavige procedure relevante passages van de “Vakbijlage REK-check” zijn en heeft een deel van de inhoud van de “Werkinstructie Ambtsberichten van Buitenlandse Zaken” van juli 2023 weergegeven. Anders dan verweerder veronderstelt, blijkt uit de stukken niet dat overeenkomstig de Vakbijlage en de werkinstructie is gehandeld en blijkt evenmin dat is voldaan aan de REK-check-criteria. De rechtbank stelt na kennisname van de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht en van de stukken die zien op de wijze waarop Buitenlandse Zaken in Pakistan het onderzoek heeft verricht vast dat de inhoud van het individuele ambtsbericht niet voldoende wordt gedragen door deze stukken, dat niet inzichtelijk is hoe tot de (diverse deel)conclusies is gekomen, dat de vragen van de aanvrager onvoldoende worden beantwoord en dat de methode van onderzoek onvoldoende zorgvuldig en niet volledig is geweest. Dit betekent dat verweerder het individueel ambtsbericht niet ten grondslag kan leggen aan de afwijzing van de opvolgende aanvraag van eiser. De rechtbank overweegt voorts dat gelet op de wijze waarop het onderzoek in Pakistan heeft plaatsgevonden en zoals dit uit het onderzoeksverslag blijkt, niet kan worden uitgesloten dat het onderzoek op zichzelf, een risico voor eiser bij terugkeer tot gevolg heeft. De rechtbank kan dit thans onvoldoende grondig onderzoeken en kan thans ook niet beoordelen of eiser reeds vanwege deze wijze van onderzoek in aanmerking moet worden gebracht voor internationale bescherming. De rechtbank hecht daarbij nadrukkelijk betekenis aan de omstandigheid dat eiser zijn verdedigingsrechten niet volledig in overeenstemming met het Unierecht heeft kunnen uitoefenen. De beroepsgrond van eiser dat verweerder zijn opvolgende aanvraag niet in overeenstemming met het Unierecht heeft beoordeeld slaagt ook. De rechtbank acht het niet opportuun om nu de andere beroepsgronden te beoordelen. Beroep gegrond & PKV.

ECLI:NL:RBDHA:2026:9429Bekijk zaak
Rechtbank Den Haag12-03-2026

Tussenuitspraak na arrest Multan over de omvang van het dossier en het kunnen uitoefenen van de verdedigingsrechten. Eiser is een christen uit Pakistan en jegens hem is een Fatwa uitgevaardigd. Verweerder legt aan zijn afwijzing van de asielaanvraag onder meer een door het Ministerie van Buitenlandse zaken opgesteld individueel ambtsbericht ten grondslag. Uit het arrest GM van 22 september 2022 volgt reeds dat de 8:29 Awb-procedure niet verenigbaar is met het Unierecht. Eiser moet namelijk zijn verdedigingsrechten kunnen uitoefenen ondanks dat de 8:29 Awb-rechter heeft bepaald dat de beperking van de openbaarmaking van de onderliggende stukken van het ambtsbericht gerechtvaardigd is omdat “de door de minister gestelde belangen van bronbescherming, de bescherming van de bij het onderzoek gehanteerde methoden en technieken, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een derde die niet bij het onderzoek is betrokken en het voorkomen van onevenredige benadeling, zwaarder wegen dan het belang dat eiser kennisneemt van de stukken”. De rechtbank heeft in deze procedure prejudiciële vragen gesteld over de omvang van het dossier ten aanzien waarvan eiser zijn verdedigingsrechten moet kunnen uitoefenen en over de verplichting van de rechter die op het beroep beslist om van het hele dossier kennis te nemen om te waarborgen dat het beginsel van non-refoulement wordt geëerbiedigd. Het Hof heeft de vragen van de rechtbank op 29 januari 2026 beantwoord en het arrest Multan gewezen. Uit dit arrest blijkt dat informatie over de wijze waarop BuZa onderzoek heeft verricht in Pakistan ook deel uitmaakt van ‘het dossier’. Uit dit arrest en het arrest GM van 22 september 2022 volgt dat eiser bijvoorbeeld middels een zogenoemde ‘special advocate’ toegang moet hebben tot alle relevante stukken. De rechtbank stelt vast dat een wettelijke basis hiervoor vooralsnog ontbreekt. Eiser heeft echter terecht gewezen op de verplichting van de rechtbank om te waarborgen dat het Unierecht zijn volle werking geniet. De rechtbank zal kennisnemen van de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht en van de informatie over de wijze waarop BuZa het onderzoek in Pakistan heeft verricht en bepaalt dat verweerder ook kennis moet nemen van deze stukken. De rechtbank willigt tevens het verzoek van eiser in om ‘een special advocate’ te benoemen en bepaalt dat BuZa inzage in de stukken aan deze ‘special advocate’ zal moeten verlenen.

ECLI:NL:RBDHA:2026:5065Bekijk zaak
Rechtbank Den Haag20-06-2024

Prejudiciële vragen Procedurerichtlijn en Terugkeerrichtlijn – 8:29 Awb. Eiser is een christen uit Pakistan en jegens hem is een Fatwa uitgevaardigd. Om de opvolgende asielaanvraag van eiser te beoordelen heeft verweerder een individueel ambtsbericht laten uitbrengen. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 22 september 2022 in de zaak GM volgt reeds dat de 8:29 Awb-procedure niet verenigbaar is met het Unierecht omdat de verdedigingsrechten van eiser niet volledig worden gewaarborgd als de geheimhouding of beperking van de kennisname gerechtvaardigd wordt geacht. In het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2024 is bovendien bepaald dat de zaak wordt behandeld door een andere bestuursrechter dan degene door wie de beslissing is genomen, terwijl uit de Procedurerichtlijn volgt dat de rechter die de beslissing op de asielaanvraag beoordeelt kennis neemt van alle stukken. De vragen die de rechtbank thans voorlegt zien op het nader preciseren van welke informatie onder “de informatie in het dossier van de verzoeker op grond waarvan een beslissing is of zal worden genomen” zoals bedoeld is in artikel 23, eerste lid, richtlijn 2013/32 valt. Deze uitleg zal bepalen of eiser ook toegang moet krijgen tot gegevens over de wijze waarop Buitenlandse Zaken het onderzoek in het land van herkomst heeft verricht en of de rechtbank over die gegevens dient te beschikken op grond van richtlijn 2013/32. De rechtbank heeft er op gewezen dat in de gehele procedure geen (kenbare) beoordeling plaatsvindt van de vraag of het onderzoek dat Buitenlandse Zaken heeft verricht als zodanig gevolgen heeft voor het refoulementrisico en dat dit ook niet aan een rechterlijke controle is onderworpen. Buitenlandse Zaken beschikt niet over dezelfde expertise als verweerder om het refoulementrisico te kunnen beoordelen. De beoordeling van de onderliggende ongelakte stukken die plaatsvindt in de REK-check en in de geheimhoudingsprocedure die is neergelegd in artikel 8:29 van de Awb, zien niet op het beoordelen van het refoulementrisico. Indien eiser geen inzage heeft in het onderzoeksverslag op de wijze zoals in bepaald in artikel 23, lid 1 onder b, van richtlijn 2013/32, zal hij mogelijk niet ten volle in staat zijn om zijn verzoek om internationale bescherming te onderbouwen. Indien de rechterlijke instantie die in het hoofdgeding bevoegd is om zich uit te spreken over de rechtmatigheid van het besluit inzake internationale bescherming geen inzage heeft in het onderzoeksverslag, rijst ook de vraag of deze rechterlijke instantie ten volle in staat is om het beginsel van non-refoulement te waarborgen en ten volle in staat is een daadwerkelijk rechtsmiddel te bieden en een volledige en ex-nunc beoordeling van het refoulementrisico te verrichten zoals dit door richtlijn 2013/32 wordt vereist. Indien het Hof artikel 23, eerste lid, richtlijn 2013/32 aldus uitlegt dat de onderliggende ongelakte stukken niet kunnen worden beschouwd als de informatie in het dossier van eiser op grond waarvan de beslissing op zijn verzoek om internationale bescherming is genomen, zal de rechtbank aan die bepaling geen toegang tot deze stukken ontlenen. Dan komt de vraag op of artikel 5 richtlijn 2008/115 vereist dat de rechtbank kennis neemt van deze onderliggende ongelakte stukken. De rechtbank moet in het hoofdgeding immers tevens de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit controleren en de verplichting om bij de tenuitvoerlegging van richtlijn 2008/115 het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen ziet ook op de rechterlijke instantie en vereist een zelfstandige beoordeling van alle relevante feiten en omstandigheden. Het Unierechtelijke verbod van refoulement heeft immers een absoluut karakter en dient in alle fases van de procedure te worden geëerbiedigd, terwijl in de gerechtelijke fase bovendien een doeltreffende voorziening in rechte is vereist. De rechtbank stelt vast dat de 8:29 Awb-procedure niet verenigbaar is met richtlijn 2013/32 en legt twee prejudiciële vragen aan het Hof voor om uitspraak te kunnen doen en te kunnen bepalen tot welke informatie eiser toegang moet krijgen om zijn verdedigingsrechten te kunnen effectueren en tot welke informatie de rechtbank toegang moet krijgen om het refoulementsrisico te kunnen beoordelen en om te kunnen waarborgen dat het refoulementverbod niet wordt geschonden. De procedure wordt geschorst totdat het Hof de vragen van de rechtbank heeft beantwoord.

ECLI:NL:RBDHA:2024:9590Bekijk zaak

Deze index komt uit de open data van de Rechtspraak (uitspraken.rechtspraak.nl). Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd, met een link naar de volledige uitspraak bij de bron. Rechterspagina's zijn een registratie van publicaties, geen beoordeling. Klopt er iets niet?