Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handenPlace4Law
Openbare bron · Rechtspraak.nl

Gepubliceerde uitspraken

Index van openbaar gepubliceerde uitspraken van de Rechtspraak, met het gerecht en de rechters en advocaten die in de uitspraak genoemd worden. Van elke zaak tonen we de metadata en de inhoudsindicatie; de volledige uitspraak lees je bij de bron.

20000uitspraken
2174rechters
Zoeken & filteren
Wis filters

Uitspraken met mr. T.C. Gerverdinck

2 uitspraken · nieuwste eerst · pagina 1 van 1

Gerechtshof Den Haag05-08-2026

Artikel 8b Wet Vpb. Transfer pricing. Kredietfaciliteiten met ‘headroom’. Variabele rente over verstrekte bedragen en ‘commitment fees’ over totaalbedragen faciliteiten. Bij de toetsing van de vergoedingen aan het ‘at arm’s length-beginsel’ mag de totale-kostenbenadering worden gehanteerd, waarbij het Hof uitgaat van een ex-ante-invulling van de totale-kostenbenadering aan de hand van forward rates. Het Hof heeft in de tussenuitspraak het onderzoek heropend en de Inspecteur in de gelegenheid gesteld het door hem aangeboden bewijs in te brengen waaruit volgt wat at arm’s length (totale) vergoedingen ter zake van faciliteiten 1, 3, 3a, 5 en 7bn zouden bedragen in de onderhavige jaren indien de credit ratings van belanghebbende (voor faciliteit 3a: na correctie) worden gevolgd. Na heropening geeft het Hof een toetsingskader voor de selectie, correctie en eliminatie van door partijen na de tussenuitspraak aangedragen (nieuwe) comparables. Wat betreft faciliteiten 1, 3a, 5 en 7bn slaagt de Inspecteur voor een belangrijk deel in de op hem rustende bewijslast. Hoewel voor deze faciliteiten de zakelijke opslagen op een hoger percentage uitkomen dan waarvan de Inspecteur uitgaat, liggen deze telkens (ruimschoots) lager dan de door het Hof in het kader van de ex-ante-invulling van de totale-kostenbenadering herrekende kostenopslagen. In zoverre heeft de Inspecteur aan zijn bewijslast voldaan de omvang van de door hem bepleite correcties aannemelijk te maken. Het Hof acht aannemelijk dat voor ieder van de onderhavige jaren de volgens de aangiften verschuldigde belasting als gevolg van de geaccepteerde correcties verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en dat deze verschillen ook op zichzelf bezien voor ieder jaar zeer aanzienlijk zijn. Tevens is voldaan aan het bewustheidsvereiste. De verrekenprijsdocumentatie (benchmarkanalyse) van belanghebbende vertoonde belangrijke gebreken, die maken dat zij onvoldoende grond bood om ervan uit te gaan dat de rekening gebrachte kosten zakelijk waren. Daar komt nog bij dat niet aannemelijk is dat kredietwaardigheidsanalyses beschikbaar waren op de momenten dat zij aangiften deed. Belanghebbende heeft gelet op het voorgaande op zijn minst lichtvaardig aangifte aangedaan en had zich van de onzakelijkheid van de door haar gehanteerde verrekenprijzen bewust moeten zijn. Het Hof merkt de primaire en subsidiaire standpunten van de Inspecteur niet aan als een redelijke schatting, omdat zij aansluiten bij de credit rating van de tophoudster, terwijl hij ook beschikte over de credit ratings van de schuldenaar. De thans (na de tussenuitspraak) voorgestelde correcties voldoen wel aan de eisen van een redelijke schatting. Belanghebbende slaagt gedeeltelijk in de op haar rustende verzwaarde bewijslast, in de zin dat de correcties voor faciliteit 3 komen te vervallen en die voor faciliteit 7bn verder worden beperkt. De Inspecteur beschikt over een navordering rechtvaardigend nieuw feit. De correcties die volgens het oordeel van het Hof standhouden berusten telkens op comparables die de Inspecteur pas in hoger beroep bekend zijn geworden en hij kon daar redelijkerwijs niet eerder mee bekend zijn. Verder oordeelt het Hof dat geen sprake is van een situatie waarin de Inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan door primitieve aanslagen op te leggen zonder de uitkomsten af te wachten van een onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangifte. Belanghebbende heeft na de tussenuitspraak wel terecht betoogd dat aan haar te veel belastingrente in rekening is gebracht. De rentebeschikkingen dienen te worden verminderd voor zover vanaf 1 april 2014 een belastingrentepercentage van 8 (of hoger) is toegepast. De over deze periode verschuldigde belastingrente moet worden berekend naar een tarief van 4%, het in de vorenbedoelde periode voor andere belastingplichtigen dan vennootschapsbelastingplichtigen geldende belastingrentepercentage zoals neergelegd in artikel 30hb, lid 1, AWR. Om die reden is het hoger beroep van belanghebbende gegrond. Gelet op al het voorgaande is voorts het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep gegrond, en het voorwaardelijke incidentele hoger beroep van belanghebbende ongegrond.

ECLI:NL:GHDHA:2026:2462Bekijk zaak
Gerechtshof Den Haag29-10-2025

Tussenuitspraak. Artikel 8b Wet Vpb. Transfer pricing. Kredietfaciliteiten met ‘headroom’. Variabele rente over verstrekte bedragen en ‘commitment fees’ over totaalbedragen faciliteiten. Het Hof is van oordeel dat de headroom ter zake van de onderhavige kredietfaciliteiten niet als schijnhandeling kan worden aangemerkt, dat die op zichzelf beschouwd ook niet onzakelijk is, dat bij de toetsing van de vergoedingen aan het ‘at arm’s length-beginsel’ de totale-kostenbenadering mag worden gehanteerd en dat het aangaan van de faciliteiten geen wetsontduiking (fraus legis) oplevert. Vervolgens rijst de vraag of de prijsstelling zakelijk is, derhalve: of de hoogte van de totale kosten (rente en commitment fees) en de correctie daarvan door de Inspecteur voldoende wordt ondersteund door benchmarks. Aangezien eventuele inhoudelijke gebreken op het moment van het doen van de tussenuitspraak nog niet vaststaan, rust de bewijslast dienaangaande (vooralsnog) op de Inspecteur, die wil afwijken van de door belanghebbende contractueel overeengekomen verrekenprijzen. De verrekenprijsdocumentatie van belanghebbende is naar het oordeel van het Hof als zodanig niet gebrekkig als bedoeld in de arresten HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086 en HR 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1336, zodat het standpunt van de Inspecteur dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard omdat door schending van de administratieplicht de vereiste aangifte niet is gedaan, faalt. Evenmin ziet het Hof aanleiding bij de beoordeling van de onderhavige verrekenprijscorrecties uit te gaan van het door de Inspecteur voorgestane (door belanghebbende te ontzenuwen) bewijsvermoeden van onzakelijkheid. Niet aannemelijk is geworden dat de door belanghebbende vastgestelde credit ratings hebben geresulteerd in prijzen die tussen onafhankelijke derden niet waren overeengekomen, met uitzondering van de credit rating voor één faciliteit (faciliteit 3a). De kritiek van de Inspecteur op de door belanghebbende aangedragen comparables is evenwel ten dele terecht. De onderbouwing door belanghebbende van de totale vergoedingen ter zake van faciliteiten 1, 3, 3a en 7bn kent belangrijke gebreken. Op grond van deze gebreken acht het Hof voorshands aannemelijk dat de vastgestelde vergoedingen niet at arm’s length zijn. De Inspecteur heeft echter geen bewijs aangevoerd waaruit kan worden afgeleid hoe hoog at arm’s length vergoedingen dan wel zouden zijn. Naar het oordeel van het Hof dient de Inspecteur in de gelegenheid te worden gesteld zijn bewijsaanbod op dat punt gestand te doen. Faciliteit 5 betreft geen geldlening (zoals de overige faciliteiten), maar een andersoortige kredietovereenkomst. Naar het oordeel van het Hof dient voor deze faciliteit bij het ontbreken van een verstrekte hoofdsom primair de hoogte van de commitment fee zelfstandig te worden getoetst. De kritiek van de Inspecteur op de vaststelling van de all-in rate, die dient als grondslag voor de berekening van de commitment fee, treft doel. Ook voor deze faciliteit wordt de Inspecteur in de gelegenheid gesteld om bewijs te leveren waaruit volgt wat een at arm’s length renteopslag ter zake van faciliteit 5 zou bedragen, uitgaande van de door belanghebbende vastgestelde credit rating, en wat op basis daarvan de hoogte van de verschuldigde rente en commitment fees waren geweest in de relevante jaren. Voor het jaar 2012/2013 heeft het geschil tussen partijen betrekking op een navorderingsaanslag en voor het jaar 2013/2014 op een navorderingsaanslag en een beschikking als bedoeld in artikel 20b, lid 1, Wet Vpb. Voor zover de Inspecteur erin zal slagen aannemelijk te maken dat een at arm’s length vergoeding ter zake van de faciliteiten 1, 3, 5 en 7bn lager zou zijn dan hetgeen is overeengekomen, is voor correcties in die jaren voorts de aanwezigheid van een nieuw feit of kwade trouw benodigd. Het Hof kan daarover in deze tussenuitspraak echter nog geen definitief oordeel geven. Voor het geval dat de correcties van de Inspecteur ter zake van faciliteiten 1, 3, 3a en 7bn (deels) in stand blijven, verwerpt het Hof het beroep op het vertrouwensbeginsel. Voor het geval dat de correcties van de Inspecteur niet geheel in stand kunnen blijven, doet hij een beroep op interne compensatie. In deze tussenuitspraak kan nog geen definitief oordeel worden geveld over de vergoeding ter zake van faciliteit 3a. Het beroep slaagt voor wat betreft een andere lening. Het Hof stelt de Inspecteur in de gelegenheid om het door hem aangeboden bewijs in te brengen waaruit volgt wat at arm’s length (totale) vergoedingen ter zake van faciliteiten 1, 3, 3a, 5 en 7bn zouden bedragen in de onderhavige jaren indien de credit ratings van belanghebbende (voor faciliteit 3a: na correctie) worden gevolgd.

ECLI:NL:GHDHA:2025:3019Bekijk zaak

Deze index komt uit de open data van de Rechtspraak (uitspraken.rechtspraak.nl). Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd, met een link naar de volledige uitspraak bij de bron. Rechterspagina's zijn een registratie van publicaties, geen beoordeling. Klopt er iets niet?