ECLI:NL:GHDHA:2025:3019
Gerechtshof Den Haag · 29-10-2025 · zaaknummer BK-23/836 tot en met BK-23/840-tus, en BK-23/845 tot en met BK-23/849-tus
Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Artikel 8b Wet Vpb. Transfer pricing. Kredietfaciliteiten met ‘headroom’. Variabele rente over verstrekte bedragen en ‘commitment fees’ over totaalbedragen faciliteiten. Het Hof is van oordeel dat de headroom ter zake van de onderhavige kredietfaciliteiten niet als schijnhandeling kan worden aangemerkt, dat die op zichzelf beschouwd ook niet onzakelijk is, dat bij de toetsing van de vergoedingen aan het ‘at arm’s length-beginsel’ de totale-kostenbenadering mag worden gehanteerd en dat het aangaan van de faciliteiten geen wetsontduiking (fraus legis) oplevert. Vervolgens rijst de vraag of de prijsstelling zakelijk is, derhalve: of de hoogte van de totale kosten (rente en commitment fees) en de correctie daarvan door de Inspecteur voldoende wordt ondersteund door benchmarks. Aangezien eventuele inhoudelijke gebreken op het moment van het doen van de tussenuitspraak nog niet vaststaan, rust de bewijslast dienaangaande (vooralsnog) op de Inspecteur, die wil afwijken van de door belanghebbende contractueel overeengekomen verrekenprijzen. De verrekenprijsdocumentatie van belanghebbende is naar het oordeel van het Hof als zodanig niet gebrekkig als bedoeld in de arresten HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086 en HR 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1336, zodat het standpunt van de Inspecteur dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard omdat door schending van de administratieplicht de vereiste aangifte niet is gedaan, faalt. Evenmin ziet het Hof aanleiding bij de beoordeling van de onderhavige verrekenprijscorrecties uit te gaan van het door de Inspecteur voorgestane (door belanghebbende te ontzenuwen) bewijsvermoeden van onzakelijkheid. Niet aannemelijk is geworden dat de door belanghebbende vastgestelde credit ratings hebben geresulteerd in prijzen die tussen onafhankelijke derden niet waren overeengekomen, met uitzondering van de credit rating voor één faciliteit (faciliteit 3a). De kritiek van de Inspecteur op de door belanghebbende aangedragen comparables is evenwel ten dele terecht. De onderbouwing door belanghebbende van de totale vergoedingen ter zake van faciliteiten 1, 3, 3a en 7bn kent belangrijke gebreken. Op grond van deze gebreken acht het Hof voorshands aannemelijk dat de vastgestelde vergoedingen niet at arm’s length zijn. De Inspecteur heeft echter geen bewijs aangevoerd waaruit kan worden afgeleid hoe hoog at arm’s length vergoedingen dan wel zouden zijn. Naar het oordeel van het Hof dient de Inspecteur in de gelegenheid te worden gesteld zijn bewijsaanbod op dat punt gestand te doen. Faciliteit 5 betreft geen geldlening (zoals de overige faciliteiten), maar een andersoortige kredietovereenkomst. Naar het oordeel van het Hof dient voor deze faciliteit bij het ontbreken van een verstrekte hoofdsom primair de hoogte van de commitment fee zelfstandig te worden getoetst. De kritiek van de Inspecteur op de vaststelling van de all-in rate, die dient als grondslag voor de berekening van de commitment fee, treft doel. Ook voor deze faciliteit wordt de Inspecteur in de gelegenheid gesteld om bewijs te leveren waaruit volgt wat een at arm’s length renteopslag ter zake van faciliteit 5 zou bedragen, uitgaande van de door belanghebbende vastgestelde credit rating, en wat op basis daarvan de hoogte van de verschuldigde rente en commitment fees waren geweest in de relevante jaren. Voor het jaar 2012/2013 heeft het geschil tussen partijen betrekking op een navorderingsaanslag en voor het jaar 2013/2014 op een navorderingsaanslag en een beschikking als bedoeld in artikel 20b, lid 1, Wet Vpb. Voor zover de Inspecteur erin zal slagen aannemelijk te maken dat een at arm’s length vergoeding ter zake van de faciliteiten 1, 3, 5 en 7bn lager zou zijn dan hetgeen is overeengekomen, is voor correcties in die jaren voorts de aanwezigheid van een nieuw feit of kwade trouw benodigd. Het Hof kan daarover in deze tussenuitspraak echter nog geen definitief oordeel geven. Voor het geval dat de correcties van de Inspecteur ter zake van faciliteiten 1, 3, 3a en 7bn (deels) in stand blijven, verwerpt het Hof het beroep op het vertrouwensbeginsel. Voor het geval dat de correcties van de Inspecteur niet geheel in stand kunnen blijven, doet hij een beroep op interne compensatie. In deze tussenuitspraak kan nog geen definitief oordeel worden geveld over de vergoeding ter zake van faciliteit 3a. Het beroep slaagt voor wat betreft een andere lening. Het Hof stelt de Inspecteur in de gelegenheid om het door hem aangeboden bewijs in te brengen waaruit volgt wat at arm’s length (totale) vergoedingen ter zake van faciliteiten 1, 3, 3a, 5 en 7bn zouden bedragen in de onderhavige jaren indien de credit ratings van belanghebbende (voor faciliteit 3a: na correctie) worden gevolgd.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
- M. Sanders
- T.C. Gerverdinck
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
