ECLI:NL:RVS:2026:619
Raad van State · 04-02-2026 · zaaknummer 202500626/1/V6
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 27 oktober 2023 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellant] een boete opgelegd van € 1.250,00, omdat zij niet op tijd heeft voldaan aan de inburgeringsplicht. Met de brief van 19 februari 2018 heeft de staatssecretaris aan [appellant] laten weten dat zij inburgeringsplichtig is en dat haar inburgeringstermijn op 15 januari 2018 is gestart. De staatssecretaris heeft daarna de inburgeringstermijn een aantal keer verlengd. [appellant] moest uiterlijk op 28 juli 2023 aan haar inburgeringsplicht voldoen. Omdat [appellant] niet op tijd aan deze plicht heeft voldaan, heeft de staatssecretaris haar een boete van € 1.250,00 opgelegd. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit terecht is en dat er geen reden is om de boete te matigen. Inmiddels is [appellant] alsnog ingeburgerd. [appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte de zitting niet heeft uitgesteld en uitspraak heeft gedaan op haar beroep. Zij had de rechtbank namelijk meegedeeld dat zij niet bij de zitting aanwezig kon zijn.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
