ECLI:NL:RVS:2026:3270
Raad van State · 02-06-2026 · zaaknummer 202504072/1/A2
Inhoudsindicatie
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 8 juli 2025 waarbij de rechtbank Rotterdam het verzoek van [appellant] om vergoeding van immateriële schade heeft afgewezen. [appellant] heeft een verzoek om vergoeding van schade ingediend, omdat het CBR op 1 augustus 2023 ten onrechte zijn rijbewijs ongeldig heeft verklaard. Nadat de rechtbank Rotterdam op 19 februari 2024 het tegen de beslissing op bezwaar van 29 augustus 2023 ingestelde beroep gegrond heeft verklaard, heeft het CBR bij besluit van 26 februari 2024 met inachtneming van die uitspraak het bezwaar alsnog gegrond verklaard, en het besluit om het rijbewijs van [appellant] ongeldig te verklaren ingetrokken. Partijen zijn het daarom eens dat het besluit van 1 augustus 2023 onrechtmatig was. [appellant] heeft bij de rechtbank een verzoekschrift tot schadevergoeding ingediend. [appellant] wil een vergoeding van € 15,00 per dag voor de periode van 29 augustus 2023 tot en met 27 februari 2024. De rechtbank heeft dit verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.
Rechters
Advocaten
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
