ECLI:NL:RVS:2026:2285
Raad van State · 22-04-2026 · zaaknummer 202404009/1/A3
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 7 juni 2024 heeft de burgemeester van Rotterdam aan [appellant] een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen. [appellant] heeft een relatie met [persoon] en verblijft regelmatig in haar woning aan de [locatie] in Rotterdam. Volgens processen-verbaal van bevindingen heeft de politie op 7 juni 2024 een melding gekregen van iemand met wie [persoon] aan het videobellen was. De melder vertelde dat er sprake was van een ruzie in de woning van [persoon] waarbij er een mes zichtbaar was. De politie is ter plaatse gaan kijken en zag drie personen in de woning, waaronder [persoon] en [appellant]. [persoon] heeft toen verklaard dat er niets was gebeurd. Daarna is de politie vertrokken. Korte tijd later heeft een buurtbewoner een melding bij de politie gedaan. De buurtbewoner hoorde een ruzie op het adres van [persoon] en hoorde een vrouw meerdere keren ‘au’ roepen. Volgens de buurtbewoner klonk het alsof er iemand geslagen werd en er spullen kapot gegooid werden.
Rechters
Advocaten
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
