ECLI:NL:RVS:2026:1384
Raad van State · 11-03-2026 · zaaknummer 202301250/1/A3
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 10 juli 2018 heeft de minister van Buitenlandse Zaken geweigerd om de aanvraag van [appellante] voor een Nederlands paspoort in behandeling te nemen. [appellante] is geboren op [geboortedatum] 1957 in Suriname en heeft door geboorte het Nederlanderschap verkregen. Op 28 mei 1971 is zij voor het eerst ingeschreven in Nederland. Op 27 juli 2006 is [appellante] uitgeschreven uit Nederland wegens emigratie naar Suriname. Op 8 februari 2007 heeft [appellante] door naturalisatie de Surinaamse nationaliteit verkregen. Op 18 mei 2018 heeft zij een Nederlands paspoort aangevraagd bij de Nederlandse ambassade in Suriname. De minister heeft geweigerd om de aanvraag in behandeling te nemen. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat [appellante] het Nederlanderschap op 8 februari 2017 ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) heeft verloren omdat zij zowel de Nederlandse als de Surinaamse nationaliteit had, zij op dat moment gedurende een onafgebroken periode van tien jaar hoofdverblijf heeft gehad in Suriname en van stuiting van deze termijn op grond van artikel 15, vierde lid, van de RWN geen sprake is geweest.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
