ECLI:NL:RVS:2025:890
Raad van State · 05-03-2025 · zaaknummer 202203764/1/A3
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 3 juni 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een aanvraag van [appellante] voor een ligplaatsvergunning voor een bedrijfsvaartuig afgewezen. Op 13 november 2015 heeft [appellante] bij het college een aanvraag ingediend voor een ligplaatsvergunning voor een bedrijfsvaartuig, een vlot, genaamd ‘Werkvlot’. Het college heeft deze aanvraag op grond van artikel 2.4.1, vierde lid, in samenhang met artikel 2.3.1, tweede lid, van de Verordening op het binnenwater 2010 afgewezen, omdat dit niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Daar komt bij dat het vlot niet is aan te merken als een bedrijfsvaartuig, zoals bedoeld in de Vob, aldus het college. Met het besluit van 18 april 2019 heeft het college deze standpunten gehandhaafd. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat het vlot niet is aan te merken als een bedrijfsvaartuig.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
