ECLI:NL:RVS:2025:746
Raad van State · 26-02-2025 · zaaknummer 202402083/1/A2
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 3 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellant] staat ingeschreven op het adres van zijn moeder, waar hij gedurende de week of af en toe verblijft. Vanwege de slechte relatie met zijn moeder, slaapt [appellant] de rest van de tijd bij kennissen of vrienden. Hij heeft een urgentieverklaring aangevraagd omdat hij een eigen woning nodig heeft om te kunnen werken aan zijn psychische problemen. Uit een advies van de GGD blijkt dat [appellant] een beperkte belastbaarheid heeft en dat het inwonen bij familie tot de nodige spanningen kan leiden, maar dat er geen medische noodzaak is dat [appellant] op korte termijn zou moet verhuizen. Het college heeft de aanvraag daarom afgewezen op grond van artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020. Volgens het college is er geen urgent huisvestingsprobleem als iemand op diverse plekken inwonend is.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
