ECLI:NL:RVS:2025:5101
Raad van State · 22-10-2025 · zaaknummer 202403982/1/A2
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 5 september 2022 heeft de minister van Financiën geweigerd een private schuld van [appellante] over te nemen. [appellante] heeft de minister gevraagd om een schuld aan de Rabobank over te nemen, die voortkomt uit een doorlopend krediet, ter hoogte van € 1.852,79. [appellante] heeft verschillende brieven van de Rabobank overgelegd, over onder andere betalingsachterstanden in verband met dat krediet. De minister heeft geweigerd de schuld over te nemen, omdat deze volgens hem niet is ontstaan en opeisbaar is geworden in de periode vanaf 1 januari 2006 tot 1 juni 2021. Volgens de rechtbank is het niet aannemelijk dat de schuld opeisbaar was voor 1 juni 2021. De rechtbank heeft gewezen op artikel 13, aanhef en onder a, van de Algemene voorwaarden Doorlopend Krediet van de Rabobank 2010, die van toepassing zijn op de kredietovereenkomst tussen [appellante] en de Rabobank, waaruit de schuld voortkomt. [appellante] betoogt primair dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar was.
Advocaten
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
