ECLI:NL:RVS:2025:111
Raad van State · 15-01-2025 · zaaknummer 202401233/1/V6
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 17 januari 2020 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellant] een boete opgelegd van € 1.250,00, omdat hij niet op tijd heeft voldaan aan de inburgeringsplicht. In een brief van 12 december 2016 heeft de staatssecretaris [appellant] laten weten dat hij inburgeringsplichtig is. Zijn inburgeringstermijn is op 21 oktober 2016 gestart en hij moest voor 17 november 2019 aan zijn inburgeringsplicht voldoen. Omdat [appellant] niet op tijd aan de inburgeringsplicht heeft voldaan, heeft de staatssecretaris hem een boete opgelegd. [appellant] betoogt dat het hem niet of maar beperkt valt te verwijten dat hij niet op tijd aan zijn inburgeringsplicht heeft voldaan. De staatssecretaris heeft hem namelijk niet tijdig laten weten dat hij een boete zou krijgen wanneer hij niet binnen de termijn zou zijn ingeburgerd. Ook heeft de staatssecretaris hem niet gewezen op de mogelijkheid om een ontheffing van de inburgeringsplicht te krijgen. Als hij dit wel had geweten, dan had hij meer hulp kunnen vragen om aan de vereisten voor ontheffing te voldoen.
Rechters
Advocaten
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
