ECLI:NL:RVS:2024:3579
Raad van State · 04-09-2024 · zaaknummer 202303139/1/V6
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 14 september 2021 heeft de minister van Buitenlandse Zaken geweigerd de namens [persoon] ingediende verklaring om het Nederlanderschap te verkrijgen door optie, te bevestigen. [appellant] heeft op 16 juli 2021 voor [persoon] bij de Nederlandse ambassade in Kopenhagen een optieverklaring ingediend op grond van artikel II, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap. De minister heeft de optieverklaring niet bevestigd, omdat [appellant] als vader van [persoon] niet de Nederlandse nationaliteit bezat op het moment van de geboorte van [persoon] op [geboortedatum] 2007 en de erkenning op [datum] 2007. [appellant] heeft de Nederlandse nationaliteit verkregen op 9 augustus 2011. De minister heeft zich in het besluit van 18 maart 2022 op het standpunt gesteld dat er geen ruimte bestaat om het Nederlanderschap op een andere grond aan [persoon] te verlenen. De minister heeft aanleiding gezien om de leges terug te betalen, omdat bij het indienen van de optieverklaring over het hoofd is gezien dat [appellant] ten tijde van de geboorte en erkenning van [persoon] niet de Nederlandse nationaliteit bezat.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
