ECLI:NL:RVS:2023:4329
Raad van State · 22-11-2023 · zaaknummer 202206684/1/A2
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 26 maart 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellante] heeft geen vaste woon- of verblijfplaats. Nadat zij na haar scheiding uit haar toenmalige woning is gezet, heeft zij tijdelijk op het huis gepast van een oudoom in Amstelveen, onderdak gehad in een tuinhuis van haar ex-werkgever in Amsterdam, wisselend bij kennissen en haar dochter gelogeerd, in de garagebox van haar oudoom geslapen en in de corona periode via een speciale regeling in een hotel. Op de zitting heeft zij verteld dat zij momenteel nergens woont en dakloos is. Zij verblijft voor een groot deel van de week op straat, in een kelderbox of een auto. Het college heeft bij het besluit van 22 juni 2022 de afwijzing van de aanvraag om een urgentieverklaring gehandhaafd op grond van de algemene weigeringsgrond van artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellante] geen urgent huisvestingsprobleem heeft omdat haar verblijf op verschillende adressen gelijk wordt gesteld met inwonen.
Rechters
Advocaten
- J.J. Kruidenberg
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
