ECLI:NL:RVS:2023:4130
Raad van State · 08-11-2023 · zaaknummer 202301887/1/A2
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 10 mei 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellant] heeft een urgentieverklaring aangevraagd omdat zij met haar (toenmalige) vriend en dochtertje in een kamer van 10 m2 in de eengezinswoning van haar ouders woonde. Op het moment van de aanvraag was hun dochtertje acht maanden oud en was [appellant] zwanger van een tweeling. Volgens de toelichting bij haar aanvraag is het huis van haar ouders onhygiënisch en heeft zowel haar moeder als zijzelf psychische problemen. Tijdens de bezwaarprocedure is de tweeling geboren en de relatie met haar vriend beëindigd. Het college heeft in aanmerking genomen dat [appellant] niet beschikt over een zelfstandige woonruimte. Veder was haar huisvestingsprobleem volgens het college te voorkomen of te voorzien omdat er drie kinderen zijn geboren terwijl haar huisvesting daarvoor ongeschikt was.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
