ECLI:NL:RVS:2023:1146
Raad van State · 22-03-2023 · zaaknummer 202205404/1/R4
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 26 januari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een dwangsom van € 1.000,00 ingevorderd bij [appellante], handelend onder de naam [bedrijf]. Bij besluit van 16 april 2021 heeft het college aan [appellante], handelend onder de naam [bedrijf], een last onder dwangsom opgelegd. Deze last houdt in dat [appellante] geen bedrijfsafval mag aanbieden in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2010. De hoogte van de dwangsom is vastgesteld op € 1.000,00 per overtreding van dat artikel (maximaal 1 constatering per 24 uur) met een maximum van € 3.000,00. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van een op 18 januari 2022 uitgevoerde controle heeft het college bij het besluit van 26 januari 2022 vastgesteld dat een dwangsom is verbeurd en is het college overgegaan tot invordering van een bedrag van € 1.000,00. [appellante] is het niet eens met dit besluit en heeft om die reden bezwaar gemaakt en beroep ingesteld.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag
verweerder · overheid
Overheidspartijen
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
