ECLI:NL:RVS:2022:833
Raad van State · 23-03-2022 · zaaknummer 202103104/1/A3
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 26 november 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag de aanvraag van [appellante] voor een urgentieverklaring afgewezen. Op 27 augustus 2019 heeft [appellante] bij het college een aanvraag voor een urgentieverklaring ingediend. [appellante] heeft in het verleden vier jaar lang in opvanghuizen gewoond. Sinds 2012 woont [appellante] in bij haar moeder. In 2019 heeft [appellante] een dochter gekregen. Bij zowel [appellante] als haar moeder is een verstandelijke beperking vastgesteld. Dit leidt tot veel conflicten tussen beiden, waardoor [appellante] de dag vaak op straat doorbrengt met haar dochter en alleen in de avond naar huis gaat om te slapen. [appellante] voert daarnaast aan dat het huis te klein is voor een huishouden van drie personen. Het college heeft de aanvraag bij het besluit van 26 november 2019 afgewezen wegens het ontbreken van een urgent huisvestingsprobleem.
Rechters
Advocaten
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
