ECLI:NL:RVS:2022:763
Raad van State · 16-03-2022 · zaaknummer 202102403/1/A3
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 14 oktober 2019 heeft de korpschef van politie de aan [beveiligingsbedrijf] verleende toestemming om [appellant] beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten ingetrokken. De korpschef heeft bij besluit van 6 mei 2019 aan [beveiligingsbedrijf] toestemming verleend om [appellant] beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr. Bij het besluit van 14 oktober 2019 heeft de korpschef deze toestemming op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr ingetrokken. De korpschef twijfelt of [appellant] voldoende betrouwbaar is om beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Uit binnengekomen ambtsberichten is gebleken dat op andere verzoeken om toestemming voor [appellant], afwijzend is beslist. Aan die besluiten is ten grondslag gelegd dat [appellant] in de periode van 2014 tot 2018 verscheidene keren zonder toestemming beveiligingswerkzaamheden heeft verricht.
Rechters
Advocaten
- J. Ossewaarde
- P.J. Wattel
- R.J.G.M. Widdershoven
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
