ECLI:NL:RVS:2022:1889
Raad van State · 06-07-2022 · zaaknummer 202103641/1/V6
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 20 november 2019 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het verzoek van [appellante] om verlenging van de inburgeringstermijn afgewezen. Bij besluit van 26 november 2019 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellante] een boete opgelegd van € 1.250,00 wegens het niet naleven van artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering. De minister heeft [appellante] bij brief van 12 februari 2016 meegedeeld dat zij inburgeringsplichtig is, dat haar inburgeringstermijn is gestart op 19 januari 2015 en dat zij vóór 17 januari 2019 aan deze plicht moet hebben voldaan. [appellante] stelt dat het door ziekte, met lichamelijke en psychische klachten, voor haar niet mogelijk was om vóór 17 januari 2019 aan haar inburgeringsplicht te voldoen. Zij heeft daarom verzocht om verlenging van de inburgeringstermijn.
Advocaten
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
