ECLI:NL:RVS:2021:2333
Raad van State · 20-10-2021 · zaaknummer 202005560/1/A3
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 10 juli 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een aanvraag van [wederpartij] om verlenging van een voorrangsverklaring afgewezen. Tegen dat besluit heeft [wederpartij] op 2 augustus 2019 bezwaar gemaakt. Het college heeft bij het besluit van 7 november 2019 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het college waren de gronden van het bezwaar niet tijdig ingediend. Dat is in strijd met artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht, aldus het college. [wederpartij] heeft tegen het besluit op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft daarop geoordeeld dat het college ten onrechte het door [wederpartij] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 10 juli 2019 niet-ontvankelijk heeft verklaard. De door [wederpartij] op 6 september 2019 ingediende gronden zijn weliswaar naar het verkeerde e-mailadres binnen de gemeenteorganisatie toegezonden, maar dat betekent niet dat de gronden niet tijdig zijn ingediend.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
