ECLI:NL:RVS:2020:1229
Raad van State · 13-05-2020 · zaaknummer 201906942/1/V6
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 22 mei 2018 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellante] een boete opgelegd van € 250,00 wegens het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering. De minister heeft het bezwaar van [appellante] bij besluit van 5 september 2018 niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij het bezwaarschrift te laat heeft ingediend en de termijnoverschrijding haar aan te rekenen is. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Zij voert aan dat haar man haar zoon onder dreiging van geweld heeft geïnstrueerd om de post bij haar weg te houden en zij daarom niet tijdig bezwaar heeft kunnen maken. Haar zoon heeft hierover een verklaring overgelegd. [appellante] verwijst verder naar een brief van haar psychiater van 24 september 2019 en informatie van haar huisarts ter staving van haar psychische problemen.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
