ECLI:NL:RVS:2019:3475
Raad van State · 16-10-2019 · zaaknummer 201900320/1/A3
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 23 januari 2017 heeft de minister van Veiligheid en Justitie (thans: de minister voor Rechtsbescherming) een verzoek van [appellant A] en [appellant B] om een verklaring van geen bezwaar (hierna: een vvgb), afgewezen. [appellant A] en [appellant B] hebben verzocht een vvgb in de zin van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Jeugdwet af te geven, omdat zij als pleegouders drie kleinkinderen in hun gezin willen opnemen. Deze kleinkinderen zijn de kinderen van de dochter van [appellant A] en [appellant B]. Zij staan sinds 5 juli 2016 onder toezicht van de [jeugdzorginstelling] en zijn uit huis geplaatst in een gezinshuis. Het gezag van de kleinkinderen berust niet meer bij hun ouders. Tot de uithuisplaatsing van de kleinkinderen vormden [appellant A] en [appellant B] een vangnet voor de drie kleinkinderen en boden zij aan hen tijdelijke opvang. Ook ondersteunden zij de ouders van de kinderen bij de hulpverlening aan de kleinkinderen.
Advocaten
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
