ECLI:NL:RVS:2013:BZ7436
Raad van State · 27-03-2013 · zaaknummer 201208064/1/A1
Inhoudsindicatie
Verlenen vrijstelling (19.2 WRO) en bouwvergunning voor het bouwen van vijf appartementen met parkeergarage, gemeenschappelijke verkeersruimten en bergingen. Appellant betoogt dat de Rb. ten onrechte heeft overwogen dat het college niet in strijd heeft gehandeld met art. 2.1.5, lid 5 van de Bouwverordening Nuth 2008. Ingevolge deze bepaling dient het bodemonderzoek, indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. In dit geval is het bodemonderzoek verricht voordat de op het perceel aanwezige schuur, ook aangeduid als stallingsruimte, is gesloopt. Uit de toelichting op de bouwverordening blijkt dat deze bepaling is bedoeld om te voorkomen dat een bodemonderzoek wordt uitgevoerd voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en mogelijk ten gevolge van die sloopwerkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die vervolgens niet wordt gesignaleerd. De bepaling ziet aldus op de situatie dat het bouwen niet kan plaatsvinden zonder dat de bouwwerken die op de te bebouwen locatie aanwezig zijn, worden gesloopt. Zoals ter zitting aan de hand van foto's en tekeningen is duidelijk gemaakt, bevindt het op te richten appartementencomplex zich op het gedeelte van het perceel waar zich thans een tuin bevindt. Hierdoor behoeven geen sloopwerkzaamheden te worden verricht op de locatie waar het appartementencomplex is voorzien. In de omstandigheid dat de beeldbepalende voorgevel van de schuur zal worden gehandhaafd als onderdeel van de op te richten bebouwing, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college in strijd met art. 2.1.5, lid 5 van de bouwverordening heeft gehandeld. Nu tevens is gebleken dat de bodem onder de te slopen schuur door middel van gerichte boringen in het bodemonderzoek is betrokken, en het college aannemelijk heeft gemaakt dat op grond van historische informatie geen aanleiding bestaat om enige vorm van bodemverontreiniging te verwachten, heeft de Rb. terecht overwogen dat kon worden volstaan met het bodemonderzoek dat voorafgaand aan de sloop is verricht.
Advocaten
- H.H.B. Lamers
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
