Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RVS:2013:BZ4978

Raad van State · 20-03-2013 · zaaknummer 201200822/1/A3

BestuursrechtGepubliceerd 08-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

CBR verplicht appellant mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid. In bijlage 1, onder B. Geschiktheid, onderdeel III. Drogerende stoffen, onderdeel Andere drogerende stoffen, onder b (hierna: de bepaling uit bijlage 1 bij de Regeling) is vermeld: betrokkene is in het bezit van een gebruikershoeveelheid drogerende stoffen en uit een door betrokkene aan de politie afgelegde verklaring blijkt dat deze voor eigen gebruik is. Niet in geschil is dat appellant ten tijde van de aanhouding door de politie op 16 november 2010 in het bezit was van een gebruikershoeveelheid drogerende stoffen als bedoeld in de bepaling uit bijlage 1 bij de Regeling. Om met toepassing van art. 6, lid 3, aanhef en onder a, van de Regeling, gelezen in verbinding met de bepaling uit bijlage 1 bij de Regeling, een verplichting tot medewerking aan een onderzoek naar de geschiktheid op te leggen, dient ingevolge laatstgemelde bepaling uit een door betrokkene aan de politie afgelegde verklaring te blijken dat de aangetroffen gebruikershoeveelheid drogerende stoffen voor eigen gebruik is. Niet in geschil is dat appellant tegenover de politie geen verklaring heeft afgelegd over de reden van de aanwezigheid van de drogerende stoffen. De duidelijke tekst van de bepaling uit bijlage 1 bij de Regeling biedt geen grond voor het oordeel dat bij het ontbreken van een verklaring voldoende is dat aannemelijk is dat de aangetroffen drogerende stoffen voor eigen gebruik zijn. In aanmerking genomen dat de geschiedenis van de totstandkoming van de Regeling geen toelichting op de bepaling uit bijlage 1 bij de Regeling bevat, zijn er geen aanknopingspunten om het CBR te volgen in het betoog dat voormelde verklaring slechts is vereist om handelaren in drogerende stoffen uit te sluiten van een onderzoek naar de geschiktheid. Anders dan de Rb. heeft overwogen, biedt de ratio van de Regeling, te weten het bevorderen van verkeersveiligheid, geen grond voor een ander oordeel, nu de regelgever moet worden geacht dit belang te hebben betrokken bij de totstandkoming van de bepaling uit bijlage 1 bij de Regeling. Appellant betoogt dan ook terecht dat in dit geval niet is voldaan aan de in voormelde bepalingen neergelegde vereisten voor oplegging van de verplichting tot medewerking aan een onderzoek naar de geschiktheid. Het hoger beroep is gegrond.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Partijen

  • [appellant]

    appellant · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.