Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RVS:2013:BZ3374

Raad van State · 06-03-2013 · zaaknummer 201203259/1/A1

BestuursrechtGepubliceerd 08-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om handhavend op te treden tegen de bouw van een aanbouw. De aanbouw is blijkens de gedingstukken 5,60 m breed en 7 m diep en gebouwd aan een in 1986 met bouwvergunning gebouwde aanbouw, op een afstand van meer dan 2,5 m van het oorspronkelijke hoofdgebouw op het perceel. Bij het bouwen van de thans aan de orde zijnde aanbouw is daarin een gedeelte van de reeds bestaande aanbouw, de voormalige bijkeuken, opgegaan en daarvan deel gaan uitmaken. De Rb. heeft terecht geoordeeld dat het bouwplan niet voldoet aan de maximale oppervlakte van 30 m², als genoemd in art. 2, aanhef en lid 3, onder b, onder 3º, van Bijlage II bij het Bor. Anders dan het college betoogt, biedt deze bepaling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat bij de bepaling van de totale oppervlakte van de aanbouw, in dit geval de oppervlakte van het bestaande gedeelte daarvan, buiten beschouwing moet worden gelaten. Zoals de Rb. terecht heeft overwogen, is het bestaande gedeelte, de voormalige bijkeuken, opgegaan in de nieuwe aanbouw en maakt deze na realisering van de nieuwe aanbouw daarvan in bouwkundig en functioneel opzicht deel uit, zodat reeds daarom geen onderscheid meer kan worden gemaakt tussen het bestaande gedeelte en de nieuwe aanbouw. Het betoog van het college dat slechts hetgeen wordt bijgebouwd in aanmerking moet worden genomen en niet wat van dit bouwen het eindresultaat is, wordt derhalve niet gevolgd. Dit zou ertoe leiden dat steeds vergunningvrij aan reeds bestaande gedeelten van een bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied kan worden gebouwd, zolang dit maar met oppervlakten kleiner dan 30 m² per bouwfase plaatsvindt. Dit is niet in overeenstemming met de strekking van eerdergenoemd voorschrift. De door het college in dit verband naar voren gebrachte gedeelten uit de NvT bij het Bor (Staatsblad 2010, 143) leiden niet tot een ander oordeel. Dat op pagina 133 daarvan, waarnaar het college verwijst, wordt vermeld dat ten opzichte van het Besluit bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken de eis dat het moet gaan om het bouwen aan een bestaand hoofdgebouw, is komen te vervallen, is voor dit geding niet van belang, nu daarbij wordt vermeld dat deze eis is geschrapt teneinde het mogelijk te maken dat bij de nieuwbouw van een woning een bijbehorend bouwwerk dat aan de daarvoor geldende eisen voldoet, gelijktijdig vergunningvrij kan worden "meegebouwd". Die situatie doet zich hier niet voor. Wat betreft de verwijzing door het college naar pagina 125 van de Nota van Toelichting, waar wordt vermeld dat "Toepassing van art. 3 in een concreet geval kan betekenen dat slechts voor een gedeelte van een bouwwerk een omgevingsvergunning nodig is", wordt overwogen dat de daar genoemde situatie evenmin op één lijn kan worden gesteld met het bouwplan. De desbetreffende passage in de NvT ziet uitsluitend op de situatie dat bij toepassing van art. 3 van Bijlage II bij het Bor voor slechts het gedeelte van een bouwwerk dat in strijd is met het bestemmingsplan, een omgevingsvergunning is vereist. In dit geval gaat het om de vraag of het bouwwerk voldoet aan het bepaalde in art. 2, aanhef en derde lid, onder b, onder 3º, van Bijlage II bij het Bor. Dit betreft een andere vraag, bij beantwoording waarvan in dit geval het bouwplan in zijn geheel dient te worden bezien, zodat reeds daarom zonder succes dit deel van de NvT wordt ingeroepen. Nu het hoger beroep van het college ongegrond zal worden verklaard, staat daarmee vast dat realisering van de aanbouw niet is aan te merken als een activiteit als bedoeld in art. 2, aanhef en derde lid, onder b, onder 3º, van Bijlage II bij het Bor. Nu vaststaat dat het bouwplan evenmin vergunningvrij kan worden opgericht op grond van art. 3 van Bijlage II bij het Bor, is het college gehouden te onderzoeken of het voor het bouwplan een omgevingsvergunning kan verlenen.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Partijen

  • [belanghebbende]

    belanghebbende · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.