Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RVS:2012:BY6770

Raad van State · 19-12-2012 · zaaknummer 201112728/1/A3

BestuursrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Verlenen vergunning voor het realiseren van een uitweg ten behoeve van een perceel. Aan de vergunningverlening heeft het college ten grondslag gelegd dat als gevolg van de nieuwe uitweg de verkeersveiligheid ter plaatse verbetert. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 19 oktober 2011, no. 201101018/1/H3, LJN: BT8579 is het verlenen van een uitwegvergunning een discretionaire bevoegdheid. Bij de beoordeling of de belangen die zijn genoemd in artikel 20, derde lid, aanhef en onder a, b, c en d, van de Apv, door de uitweg in geding komen, komt het college beoordelingsvrijheid toe. Die beoordeling dient terughoudend te worden getoetst en naar de situatie ten tijde van de besluitvorming. Indien het college een of meer in die bepaling genoemde belangen in geding acht, dient het onder afweging van alle betrokken belangen, te beoordelen of dat reden is de vergunning te weigeren (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2007 in zaak nr. 200703674/1 LJN: BB8375). Op grond van het bestemmingsplan hebben de gronden waarop de uitweg is aangelegd de bestemming "Groenvoorziening". Art. 12.1 van de planvoorschriften laat de aanleg van een uitweg ter plaatse niet toe. Met betrekking tot het betoog van appellant dat de vergunning om deze reden geweigerd had moeten worden, wordt overwogen dat nu belangen als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Apv in geding zijn, alle betrokken belangen tegen elkaar dienen te worden afgewogen. In dit geval brengt dat met zich dat het belang van de handhaving van het bestemmingsplan bij de besluitvorming diende te worden betrokken. De rb. heeft dit niet onderkend. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, omdat het belang dat de groenbestemming met betrekking tot de gronden ter plaatse beoogt te beschermen is afgewogen bij de toetsing van de aanvraag aan art. 20, derde lid, aanhef en onder c en d, van de Apv. Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft de rb. daaromtrent terecht geoordeeld dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat de groenvoorzieningen ter plaatse niet op onaanvaardbare wijze worden aangetast als gevolg van de nieuwe uitweg. Overigens is ter zitting gebleken dat het bestemmingsplan inmiddels wordt aangepast en de gronden overeenkomstig het huidige gebruik zullen worden bestemd.

Partijen

  • [appellant]

    appellant · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.