ECLI:NL:RVS:2012:BY5578
Raad van State · 30-11-2012 · zaaknummer 201202404/1/V2
Inhoudsindicatie
De Nederlandse en de Duitse versie van de punten 79 en 80 van het arrest verschillen. De Duitse tekst heeft volgens art. 31 gelezen in samenhang met art. 29, lid 2 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof (PB 2010 C 177/11), zoals dat luidde ten tijde van het arrest, rechtskracht. Uit het arrest volgt dat bij de beoordeling of een vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst vanwege zijn geloofsovertuiging voor vervolging heeft te vrezen, geen onderscheid mag worden gemaakt tussen godsdienstige handelingen die het "kerngebied" van het grondrecht op godsdienstvrijheid betreffen en godsdienstige handelingen die daartoe niet kunnen worden gerekend. Van een vreemdeling mag niet worden verlangd dat hij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloofsovertuiging in het land van herkomst. Nu de artikelen 3.36 en 3.37 van het VV 2000 in het licht van het arrest moeten worden gelezen, is de in WBV 2007/15 en WBV 2011/14 neergelegde beleidskeuze dat de minister van een vreemdeling terughoudendheid verlangt bij de uitoefening van zijn geloofsovertuiging, met die artikelen in strijd. De Rb. heeft ten onrechte overwogen dat van de vreemdeling mag worden verwacht dat hij terughoudend zal zijn in het uitdragen van zijn geloof en heeft ten onrechte bij haar beoordeling betrokken dat de vreemdeling zijn geloofsovertuiging goed kan belijden, zolang hij een laag profiel aanhoudt. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Hetgeen de vreemdeling overigens heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking meer. Doende hetgeen de Rb. zou behoren te doen, overweegt de Afdeling het volgende. Aan het in beroep bestreden besluit van 28 juni 2011 ligt ten grondslag dat de minister van de vreemdeling verwacht dat hij bij terugkeer naar Iran terughoudendheid betracht bij het invulling geven aan zijn geloofsovertuiging, zoals ook ten grondslag ligt aan het in WBV 2007/15 en WBV 2011/14 weergegeven landgebonden asielbeleid voor christenen in Iran. Aldus heeft de minister de beoordeling, of de vreemdeling vanwege het zijn van christen vluchteling is, niet verricht op de door het Hof voorgeschreven wijze.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
