ECLI:NL:RVS:2012:BY4446
Raad van State · 28-11-2012 · zaaknummer 201112581/1/A2
Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag van appellante om een kindgebonden budget voor 2011 omdat aan haar geen kinderbijslag wordt betaald en zij aldus niet voldoet aan het in art. 2, lid 1 van de Wkb bepaalde. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 december 2010 in zaak nr. 200909234/1/H2, LJN: BO8342) vinden ingevolge art. 94 van de Grondwet wettelijke voorschriften evenwel geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een een ieder verbindende bepaling van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Op het niet toekennen van een kindgebonden budget zijn de artt. 8 en 14 EVRM van toepassing. Dit betekent, gelet op het vorenstaande, dat de Belastingdienst gemotiveerd moet beslissen over de vraag of de toepassing jegens appellante van art. 2, lid 1 van de Wkb op grond van bijzondere omstandigheden strijd met de artt. 8 en 14 van het EVRM oplevert en die bepaling derhalve in zoverre buiten toepassing dient te worden gelaten. Appellante heeft onder meer aangevoerd dat zij ten tijde van de aanvraag om een kindgebonden budget bijna twee jaar in Nederland was en in de opvang zat, omdat zij in Nederland in de (gedwongen) prostitutie heeft gewerkt. Bovendien is zij, naar eigen zeggen, geworteld in de Nederlandse samenleving, nu haar kind hier is geboren, zij hier het consultatiebureau bezocht, zij elke week de zondagsdiensten van de kerk bezocht, zij in de opvang werd begeleid, onder andere bij de opvoeding van haar kind, en zij een uitkering ontving. Gelet op deze aangevoerde omstandigheden, had de Belastingdienst, alvorens een besluit te nemen op het bezwaar van appellante, los van het oordeel van de SVb over het recht van appellante op kinderbijslag, zelfstandig dienen te onderzoeken of sprake is van omstandigheden die zo zeer bijzonder zijn dat zij in dit concrete geval, na afweging van de betrokken belangen, ertoe dienen te leiden dat art. 2, lid 1 van de Wkb buiten toepassing dient te worden gelaten. De Belastingdienst heeft dit onderzoek niet verricht. Onvoldoende zorgvuldige voorbereiding en onvoldoende draagkrachtige motivering. Dit heeft de Rb. niet onderkend. Het hoger beroep is gegrond.
Advocaten
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
