ECLI:NL:RVS:2012:BX6244
Raad van State · 27-08-2012 · zaaknummer 201203920/1/V4.
Inhoudsindicatie
Uit de jurisprudentie van het EHRM inzake art. 5, lid 1, aanhef en onder f, van het EVRM valt niet af te leiden dat de tenuitvoerlegging van een vrijheidsontnemende maatregel als hier aan de orde in strijd is met die bepaling vanwege willekeur reeds omdat niet voorzienbaar is hoe lang deze maatregel zal gaan duren. In dit verband is volgens het EHRM wel vereist dat een vrijheidsontnemende maatregel in een bepaald geval niet langer duurt dan in redelijkheid noodzakelijk is voor het ermee beoogde doel (zie onder meer punt 74 van het arrest van het EHRM van 29 januari 2008, Saadi tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 13229/03, JV 2008/104). De aan de vreemdeling opgelegde maatregel heeft van 10 maart 2012 tot 18 maart 2012, dus acht dagen, geduurd en is bij het besluit tot inwilliging van zijn asielaanvraag van 18 maart 2012 opgeheven. De vrijheidsontnemende maatregel heeft daarmee niet langer geduurd dan redelijkerwijs noodzakelijk was voor het ermee beoogde doel. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de aan de vreemdeling opgelegde vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met art. 5, lid 1, aanhef en onder f, van het EVRM. Het betoog faalt.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
