Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RVS:2012:BX2095

Raad van State · 17-07-2012 · zaaknummer 201109308/1/V2

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

De verplichting voor Turkse onderdanen om jaarlijks de geldigheidsduur van de aan hen verleende verblijfsvergunning regulier te verlengen bestond ook op 1 december 1980. Die verplichting is derhalve geen nieuwe beperking als bedoeld in artikel 13 van het Besluit nr. 1/80. (…) Derhalve rest de vraag of, gelet op het hiervoor onder 2.2.6. weergegeven toetsingskader, de legesverplichting waaraan de vreemdeling moet voldoen als een ongeoorloofde maatregel moet worden beschouwd. Zoals hiervoor onder 2.2.5. is overwogen, is vóór 1 december 1980 geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid om leges te heffen. De legesverplichting is derhalve een nieuwe maatregel. Het toepasselijke legesbedrag voor de burgers van Unie bedroeg ten tijde van belang, indien zij in aanmerking wilden komen voor een verblijfsdocument, € 43,00. Ten tijde van belang was het legesbedrag dat de vreemdeling verschuldigd was voor de behandeling van zijn aanvraag even hoog. In zoverre is geen sprake van een nieuwe maatregel, waarbij aan Turkse onderdanen een verplichting wordt opgelegd die onevenredig is aan de verplichtingen van de burgers van de Unie. Een dergelijke onevenredigheid is evenmin gelegen in het feit dat door Turkse onderdanen bij elke verlengingsaanvraag leges moeten worden betaald, waardoor het totaalbedrag voor een verblijfsperiode van vijf jaar minimaal vier keer zo hoog is als voor de burger van de Unie. Nu op zichzelf de standstill-bepaling niet in de weg staat aan de plicht tot jaarlijkse verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, is uitsluitend relevant of het bedrag voor de behandeling daarvan per aanvraag evenredig is vergeleken met een soortgelijke aanvraag van een Unieburger. Het betoog van de vreemdeling dat de beoordeling of de nieuwe legesmaatregel onevenredig is voor Turkse onderdanen niet dient plaats te vinden aan de hand van een vergelijking met een aan de burgers van de Unie te verstrekken verblijfsdocument, maar door vergelijking met een kosteloos afgegeven verklaring van inschrijving, faalt. Zoals ook door het Hof is vastgesteld, zijn de door Turkse onderdanen ingediende aanvragen voor verlening of verlenging van een verblijfsvergunning en de door een burger van de Unie in een andere lidstaat ingediende aanvraag om een verblijfsdocument soortgelijke aanvragen. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.2.8. is overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat artikel 13 van het Besluit nr. 1/80 is geschonden. Nu geen sprake is van nieuwe verplichtingen voor Turkse onderdanen die onevenredig zijn aan de verplichtingen van de burgers van de Unie, is, gelet op punt 75 van het arrest Commissie tegen Nederland, evenmin sprake van schending van de non-discriminatiebepalingen in artikel 9 van de Associatieovereenkomst en in artikel 10, eerste lid, van het Besluit nr. 1/80. De grieven falen.

Advocaten

  • M. Yildirim
  • M.M. van Asperen

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.