ECLI:NL:RVS:2012:BW7575
Raad van State · 06-06-2012 · zaaknummer 201106985/1/T1/A2
Inhoudsindicatie
Afwijzen aanvraag om een toevoeging voor het verlenen van rechtsbijstand voor een 'interim measure' bij het EHRM. De raad heeft hieraan onder meer ten grondslag gelegd dat de aanvraag betrekking heeft op hetzelfde rechtsbelang als de toevoeging die is verleend voor een klachtzaak bij het EHRM. Voorts is een 'interim measure' volgens de raad geen procedure als bedoeld in art. 1, aanhef en onder b, van het Bvr en valt deze niet onder aantekening 19 bij art. 32 van de Wrb van het Handboek Toevoegen. Beide aanvragen om toevoeging zijn gebaseerd op een door appellant gestelde onrechtmatige overheidsdaad. Met de klachtprocedure wordt beoogd de schending van het EVRM vast te stellen. De 'interim measure' ziet op het verkrijgen van een tijdelijk uitzetverbod van appellant hangende de bodemprocedure. Met zowel de klachtzaak als de 'interim measure' wordt beoogd het verblijf van appellant in Nederland voort te zetten. Gelet hierop heeft de Rb. terecht geoordeeld dat de verleende toevoeging en de aanvraag betrekking hebben op hetzelfde rechtsbelang. Nu het één rechtsbelang betreft, kan met één toevoeging worden volstaan. Dit is anders wanneer het gaat om verschillende procedures dan wel in geval van één procedure bij meer dan één instantie als bedoeld in art. 32 van de Wrb. Indien het verschillende procedures betreft wordt aan de laatste uitzondering niet meer toegekomen. Volgens aantekening 19 bij art. 32 van de Wrb van het Handboek Toevoegen komen voorlopige voorzieningen voor een afzonderlijke toevoeging in aanmerking indien het betreft een kort geding, onderscheidenlijk een voorlopige voorziening ingevolge art. 223 of 254 van het Wetboek van Burgelijke Rechtsvordering onderscheidenlijk art. 8:81 van de Awb. De raad heeft bij de voorbereiding van het besluit onvoldoende onderzocht en duidelijk gemaakt waarom een 'interim measure' niet op één lijn kan worden gesteld met de hiervoor bedoelde voorlopige maatregelen die volgens het nationale recht kunnen worden getroffen. Hierbij is van belang dat de raad voor hoofdzaken bij het EHRM ingevolge de Wrb een toevoeging kan verlenen. Het betoog van de raad in dit verband dat een 'interim measure' niet als procedure is opgenomen in art. 1, aanhef en onder b, van het Bvr kan niet worden gevolgd. De raad merkt een klachtprocedure, hoewel in dit artikel niet opgenomen als procedure, immers als procedure aan. Voorts staat art. 1, aanhef en onder b, van het Bvr niet aan verlening van een toevoeging voor een 'interim measure' in de weg in het geval de raad geen toevoeging voor een klachtprocedure heeft verleend. Besluit is onzorgvuldig voorbereid en mist een deugdelijke motivering.
Rechters
Advocaten
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
