ECLI:NL:RVS:2012:BW6815
Raad van State · 23-05-2012 · zaaknummer 201200631/1/V3
Inhoudsindicatie
(…) Uit deze gang van zaken kan worden afgeleid dat de vreemdeling sinds haar inbewaringstelling geen bereidheid tot medewerking aan haar terugkeer heeft getoond. De Rb. heeft derhalve terecht geoordeeld dat aan het verlengingsbesluit ten grondslag mocht worden gelegd dat de vreemdeling niet heeft meegewerkt aan haar uitzetting. De Afdeling heeft bij uitspraken van 4 mei 2012 in zaken nrs. 201200787/1/V3 en 201201628/1/V3 (www.raadvanstate.nl), mede gelet op de ter zitting door de minister ingeroepen gegevens over het aantal gedwongen uitzettingen naar China in 2011 en 2012, overwogen dat zicht op uitzetting naar China binnen een redelijke termijn niet ontbreekt. Gelet hierop, alsmede op de omstandigheid dat de vreemdeling, zoals blijkt uit hetgeen hiervoor onder 2.4.3. is overwogen, gedurende de periode welke zij in bewaring verbleef niet heeft voldaan aan de op haar rustende medewerkingsplicht, bestaat, zoals de Rb. terecht en voldoende gemotiveerd heeft overwogen, geen grond voor het oordeel dat zicht op uitzetting naar China binnen een redelijke termijn ontbreekt en dat het verlengingsbesluit in strijd is genomen met art. 5 EVRM. Dat niet is gebleken van op de vreemdeling betrekking hebbende afspraken met de Chinese autoriteiten omtrent de voortgang van haar laissez passeraanvraag dan wel terugkeer met behulp van een EU-staat, doet daaraan niet af. De Rb. heeft gelet op het vorenoverwogene terecht geoordeeld dat de minister tot verlenging van de termijn van de bewaring met ten hoogste twaalf maanden heeft mogen besluiten.
Advocaten
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
