ECLI:NL:RVS:2012:BW6340
Raad van State · 23-05-2012 · zaaknummer 201105318/1/A2
Inhoudsindicatie
Het toetsingskader voor vergunningverlening wordt gevormd door art. 3, lid 1 en 2 van de Wbr en is verder uitgewerkt in art. 5 van de Beleidsregels inzake de toepassing van de Wbr op installaties in de exclusieve economische zone (Stcrt. 2004, 252, gewijzigd Stcrt. 2008, 67). In de toelichting op art. 5 is vermeld dat met de toepassing van de Wbr-bevoegdheden primair het veilig en doelmatig gebruik van het zeegebied wordt beschermd, maar ook andere belangen, waaronder die van natuur en milieu en visserij, bij beoordeling van de aanvraag worden betrokken. Met het oog daarop zijn volgens art. 4, lid 1, aanhef en onder e, van de beleidsregels voor de beslissing op een aanvraag gegevens over de gevolgen voor het milieu nodig. Deze gegevens dient de aanvrager te verschaffen. In het bij de aanvraag overgelegde milieueffectrapport is gesteld dat zich leemten bevinden in de kennis over de effecten van windturbineparken op zee op - onder meer - het onderwaterleven. Leemten doen zich onder andere voor in de kennis over onderwatergeluid. Lacunes in de kennis over de effecten van onderwatergeluid op onderwaterleven staan, anders dan het Productschap Vis meent, op zichzelf niet in de weg aan vergunningverlening. Van belang is evenwel dat bij de beoordeling van de effecten voldoende rekening wordt gehouden met de geconstateerde lacunes. Om die reden is in het milieueffectrapport en de passende beoordeling uitgegaan van 100% mortaliteit tot op een afstand van 1.000 meter van de heilocatie en een heiperiode die de periode van larventransport en juveniele periode voor zowel schol, haring als tong omvat (januari-juni). Verder is uitgegaan van een repeterende heicyclus van drie dagen, bestaande uit twee opeenvolgende dagen drie uur heien en daarna een dag zonder heien. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat door uit te gaan van 100% mortaliteit tot op een afstand van 1.000 meter van de heilocatie niet is uitgegaan van een worst case scenario. Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de Rb. ten onrechte heeft overwogen dat in het milieueffectrapport en bij de passende beoordeling is uitgegaan van te positieve aannames en aldus de gevolgen van de aanleg, exploitatie en demontage van het windturbinepark voor vissen en vislarven onzorgvuldig en ontoereikend zijn beoordeeld. In het Integraal Beheerplan Noordzee 2015 staat dat het voorzorgbeginsel een cruciaal uitgangspunt is bij de planning en het ontwerp van voorgenomen activiteiten op zee. Het houdt in dat preventieve maatregelen genomen dienen te worden wanneer er redelijke gronden tot bezorgdheid bestaan dat een activiteit schade toebrengt aan het mariene milieu, de gezondheid van de mens en/of ander rechtmatig gebruik, zelfs wanneer er geen afdoende bewijs is voor een oorzakelijk verband tussen een activiteit en de gevolgen ervan. Het gaat er om maatregelen te nemen om langdurige, onomkeerbare en ongewenste effecten van activiteiten te voorkomen en, als de betrokken activiteit toelaatbaar lijkt, te beperken. De voorzorgtoets is vooral bedoeld om ernstige schade te voorkomen. In de passende beoordeling staat dat één van de kernopgaven voor de Waddenzee is dat dit gebied dient als kraamkamer en opgroeigebied voor vis. De Rb. heeft terecht geoordeeld dat, door aan de vergunning het voorschrift te verbinden dat in de periode van 1 januari tot 1 juli geen heiwerkzaamheden mogen plaatsvinden, toepassing is gegeven aan het voorzorgbeginsel, zoals hiervoor omschreven. Met het voorschrijven van een monitoring- en evaluatieprogramma heeft de staatssecretaris, anders dan het geval was in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2008 in zaak nr. 200607555/1, LJN: BC5266, niet beoogd om tijdens het uitvoeren van de vergunde activiteit gegevens te verkrijgen ter invulling van de kennislacunes teneinde in te kunnen grijpen door middel van het wijzigen of intrekken van de verleende vergunning om zo te verzekeren dat schadelijke gevolgen van de activiteit worden voorkomen. Blijkens de vergunning en de door de staatssecretaris ter zitting gegeven toelichting, is het monitoring- en evaluatieprogramma, vooral bedoeld om kennis te vergaren over de effecten van de ontwikkeling van windturbineparken met het oog op de toekomstige ontwikkeling van windturbineparken op zee. Gelet daarop kan niet worden staande gehouden dat de staatssecretaris met het voorschrijven van een monitoring- en evaluatieprogramma op ongeoorloofde wijze toepassing heeft gegeven aan het voorzorgbeginsel. De effecten van het windpark op de visserij, gezien het beperkte oppervlak dat wordt gesloten voor de visserij, moet neutraal worden beoordeeld. In hetgeen het Productschap Vis aanvoert is geen grond gelegen voor het oordeel dat de staatssecretaris, gelet op het vorenstaande, zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de mogelijkheid van doelmatig gebruik van de Noordzee door de visserijsector voldoende is verzekerd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het Productschap Vis zijn betoog onvoldoende heeft gestaafd. Het betoog faalt. Ongegrond hoger beroep.
Advocaten
- J. Asjes
- J.H.M. Berenschot
- M.K. van der Hulst
- R. van der Woude
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
