ECLI:NL:RVS:2012:BW4551
Raad van State · 02-05-2012 · zaaknummer 201110374/1/V6
Inhoudsindicatie
Boete wegens overtreding van art. 2, lid 1 van de Wav en art. 5:20, lid 1 Awb. De minister betoogt dat de Rb. ten onrechte heeft overwogen dat de vennootschap voldoende inspanningen heeft verricht om de identiteit van de vrouw te achterhalen. Hij voert daartoe aan dat de vennootschap eerst ter zitting bij de Rb. heeft meegedeeld wat zij heeft gedaan ter vaststelling van de identiteit van de vrouw. De minister voert voorts aan dat de Rb. ten onrechte heeft overwogen dat de vordering zodanig is geformuleerd dat het voorstelbaar is dat het de vennootschap alleen zinvol leek om contact op te nemen met de minister indien zij het identiteitsbewijs van de vrouw of een kopie daarvan kon overleggen. De minister voert verder aan dat de vennootschap ook op andere wijze aan haar medewerkingsplicht had kunnen voldoen, bijvoorbeeld door navraag te doen bij bedrijven die in de nabijheid van het bedrijf waren gevestigd, dan wel door belanghebbende of diens medewerker te proberen te traceren. Op basis van het aanvullend verweerschrift in hoger beroep, de daarbij gevoegde verklaringen en hetgeen de vennootschap ter zitting bij zowel de Rb. als de Afdeling naar voren heeft gebracht, is aannemelijk dat zij zich voldoende heeft ingespannen om aan haar medewerkingsplicht te voldoen. De minister wordt derhalve niet gevolgd in zijn betoog ter zitting bij de Afdeling dat, nu de vennootschap zich niet als werkgever van de vrouw ziet, niet aannemelijk is dat de vennootschap de inspanningen heeft verricht die zij had behoren te verrichten. Dit geldt teminder nu aan de kenbaarheid van een vordering als die van 9 juni 2010 uit een oogpunt van rechtszekerheid hoge eisen moeten worden gesteld en het voor de vennootschap - gelet op de passage in de vordering "Indien u aan de vordering tot het verlenen van medewerking wilt voldoen, kunt u telefonisch contact met mij opnemen" - niet duidelijk was dat de vordering slechts was gericht op een inspannings- en niet op een resultaatsverplichting. In verband daarmee was het, zoals de Rb. terecht heeft overwogen, verschoonbaar dat de vennootschap eerst ter zitting bij de Rb. melding heeft gemaakt van de door haar verrichte inspanningen. Gelet hierop heeft de Rb. terecht geoordeeld dat de minister de vennootschap ten onrechte heeft beboet voor overtreding van art. 5:20, lid 1 van de Awb nadat zij had nagelaten om binnen de door de vordering gestelde termijn daarop te reageren.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[belanghebbende]
belanghebbende · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
