ECLI:NL:RVS:2012:BV8604
Raad van State · 05-03-2012 · zaaknummer 201112639/1/V4
Inhoudsindicatie
Daargelaten of de vreemdelingen rechtmatig verblijf hebben kunnen ontlenen aan artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw 2000, moeten de vreemdelingen in ieder geval, zoals volgt uit voormelde uitspraak van 4 oktober 2011, vanaf het moment dat zij in persoon ten overstaan van de autoriteiten de wens hen internationale bescherming te verlenen kenbaar hebben gemaakt, in afwachting van de beslissing op de asielverzoeken, geacht worden aan artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000 rechtmatig verblijf te hebben ontleend. Dit rechtmatig verblijf gold tijdens de periode die nodig is geweest om de verantwoordelijke lidstaat te bepalen, dan wel tijdens de behandeling van de asielverzoeken. Derhalve heeft de voorzieningenrechter terecht, zij het op onjuiste gronden, geoordeeld dat dit rechtmatig verblijf niet kan worden aangemerkt als een verblijfstitel, bedoeld in artikel 2, aanhef en onder j, van de Verordening. Hieruit volgt dat de voorzieningenrechter eveneens terecht heeft geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat Nederland, vanwege het verstrekken van een verblijfstitel, verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielverzoeken van de vreemdelingen.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
