ECLI:NL:RVS:2011:BU5013
Raad van State · 14-11-2011 · zaaknummer 201002738/1/V2
Inhoudsindicatie
De hiervoor onder 2.3.2. en 2.3.3. vermelde brieven bevatten geen informatie die grond biedt voor het oordeel dat de mate van willekeurig geweld in het kader van het door de vreemdeling gestelde gewapend conflict thans afwijkt van de door het EHRM op 20 juli 2010 aangenomen veiligheidssituatie en dermate hoog is, dat zwaarwegende gronden bestaan aan te nemen dat een burger in de provincie Uruzgan louter door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw?2000. Voor haar oordeel vindt de Afdeling steun in voormeld arrest van het EHRM van 13?oktober?2011, Husseini tegen Zweden, nr. 10611/09, dat in rechtsoverweging 84 heeft overwogen: (…). Blijkens de bewoordingen van het arrest heeft het oordeel van het EHRM dat er geen aanwijzingen zijn dat de algemene situatie in Afghanistan zo ernstig is dat de terugkeer naar dat land reeds als een schending van artikel?3 van het EVRM moet worden aangemerkt, betrekking op geheel Afghanistan, zonder dat daarbij een gebied of provincie is uitgezonderd. Het vorenstaande in aanmerking genomen, bestaat dan ook aanleiding met toepassing van artikel?8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
