ECLI:NL:RVS:2011:BT1929
Raad van State · 08-09-2011 · zaaknummer 201009178/1/V2
Inhoudsindicatie
In hoger beroep is de overweging van de rechtbank dat in het besluit van 2 april 2009 ten onrechte toepassing is gegeven aan artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 niet bestreden, zodat thans moet worden uitgegaan van de juistheid van die overweging. Hiermee staat thans in rechte vast dat de minister de toetsing van de geloofwaardigheid van het relaas aan de hand van de toetsing of van de verklaringen positieve overtuigingskracht uitgaat, niet mede op de toepasselijkheid van dat onderdeel kon baseren. De minister heeft, ter zake van de toepasselijkheid van de toetsingsmaatstaf van de positieve overtuigingskracht, echter ook verwezen naar de omstandigheid dat de vreemdeling niet zo spoedig mogelijk een asielaanvraag heeft ingediend en geen goede redenen heeft aangevoerd waarom dit is nagelaten. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, geeft artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000, gezien hetgeen hiervoor onder 2.2.1. is vermeld, geen limitatieve opsomming van omstandigheden die kunnen worden betrokken bij het onderzoek naar de aanvraag, zodat er in zoverre voor de minister geen beletsel was om de toepasselijkheid van de toetsingsmaatstaf van de positieve overtuigingskracht op deze omstandigheid te baseren. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 juli 2011, zaak nr. 201100226/1/V2, www.raadvanstate.nl), stelt de minister met het in rechtsoverweging 2.2.2. weergegeven beleid, in het geval niet is voldaan aan de in artikel 3.35, derde lid, van het VV 2000 gestelde voorwaarden, de desbetreffende vreemdeling in staat zijn asielrelaas alsnog aannemelijk te maken, met dien verstande dat alsdan van dat asielrelaas positieve overtuigingskracht dient uit te gaan. Uit het in rechtsoverweging 2.2.2. weergegeven beleid kan niet worden afgeleid dat slechts indien zich één van de in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot met f, van de Vw 2000 genoemde omstandigheden voordoet, van het asielrelaas positieve overtuigingskracht dient uit te gaan. Nu de vreemdeling de aanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en geen goede redenen kan aanvoeren waarom dit is nagelaten, voldoet zij niet aan één van de voorwaarden in artikel 3.35, derde lid, van het VV 2000, zodat van haar overige verklaringen positieve overtuigingskracht dient uit te gaan om haar verklaringen alsnog als aannemelijk te beschouwen. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de minister, door van de vreemdeling te verlangen dat haar verklaringen positieve overtuigingskracht hebben, in dit geval een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
