ECLI:NL:RVS:2011:BR2054
Raad van State · 13-07-2011 · zaaknummer 201103441/1/V3
Inhoudsindicatie
De overweging van de rechtbank dat uit het proces-verbaal van bevindingen duidelijk naar voren komt dat sprake was van een controle in het kader van de Wav en dat de vreemdeling in dat verband naar zijn identiteitsbewijs is gevraagd, is in hoger beroep niet betwist. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 juli 2002 in zaak nr. 200202606/1, AB 2002, 430), staat de rechtmatigheid van een controle ter uitvoering van de Wav niet ter beoordeling van de vreemdelingenrechter. Gelet op het feit dat het verzoek om een legitimatiebewijs te tonen is gedaan ter controle op de naleving van de Wav en uit het proces verbaal van bevindingen blijkt dat de vreemdeling desgevraagd een Turkse identiteitskaart heeft overgelegd waaruit zijn verblijfsrechtelijke positie niet blijkt, is gebleken van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleverden. Derhalve heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de vreemdeling ten onrechte op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 is staandegehouden.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
