ECLI:NL:RVS:2011:BR2021
Raad van State · 08-07-2011 · zaaknummer 201010374/1/V2
Inhoudsindicatie
In het licht van de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraken van 9 juni 2010 in zaak nr. 201000789/1/V2 en 4 mei 2011 in zaak nr. 201101993/1/V2, www.raadvanstate.nl) heeft de staatssecretaris zich in het besluit van 2 februari 2010 en het daarin ingelaste voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Afghanistan, in het bijzonder in Kandahar, sprake is van de uitzonderlijke situatie, bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. Hoewel uit het algemeen ambtsbericht inzake Afghanistan van de minister van Buitenlandse Zaken van juli 2010 alsmede voormelde UNHCR Guidelines van december 2010 naar voren komt dat de veiligheidssituatie in de provincie Kandahar is verslechterd, kan daaruit niet worden afgeleid dat de mate van willekeurig geweld in die provincie ten tijde van het besluit van 2 februari 2010 dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat een burger, louter door zijn aanwezigheid aldaar, op dat moment een reëel risico liep op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn beschreven ernstige schade.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
