ECLI:NL:RVS:2011:BQ5563
Raad van State · 17-05-2011 · zaaknummer 201012016/1/V1
Inhoudsindicatie
In de enige grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het door hem gevoerde beleid inzake de toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, gegeven de term "in beginsel", ruimte biedt om afhankelijk van het concrete geval nader te beoordelen of een vreemdeling aan de duurzaamheids- en proportionaliteitstoets voldoet, ook indien de desbetreffende vreemdeling zich minder dan tien jaar in de situatie bevindt dat hem geen verblijfstitel wordt verleend maar hij evenmin wordt uitgezet, en dat de minister in zijn besluit en ter zitting ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom de vreemdeling niet aan het duurzaamheidsvereiste voldoet. In dat verband heeft de rechtbank overwogen dat de vreemdeling al zeven jaar in een uitzichtloze situatie verkeert, dat de minister een zodanige situatie, zoals in het beleid onderstreept, zo enigszins mogelijk wenst te voorkomen en deze door de minister wordt gezien als een uitzonderlijke humanitaire situatie, dat de vreemdeling last heeft van diverse niet te verwaarlozen medische klachten en dat de vreemdeling geen ondersteuning heeft van enig familielid. Ter toelichting op de grief voert de minister - samengevat weergegeven - aan dat de term "duurzaam" in het in onderdeel C4/3.11.3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) vervatte beleid aldus dient te worden begrepen dat de desbetreffende vreemdeling in ieder geval reeds gedurende tien jaren zonder verblijfsvergunning in Nederland verblijft in de situatie dat hij om schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te voorkomen niet kan worden uitgezet, te rekenen vanaf de datum van de eerste asielaanvraag. Nu de vreemdeling op 21 augustus 2003 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend, is in het besluit van 29 juni 2009 terecht het standpunt ingenomen dat reeds op voorhand duidelijk is dat de vreemdeling niet voldoet aan het duurzaamheidsvereiste, aldus de minister. Weliswaar vermeldt de door de rechtbank genoemde brief van de minister en staatssecretaris van Justitie aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 9 juni 2008 (Kamerstukken II 2007/08, 31 200 VI, nr. 160, blz. 5) dat het gezien de ernst van de toepasselijkheid van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag redelijk is om bij de invulling van de in de Afdelingsjurisprudentie genoemde term "een groot aantal jaren" in beginsel uit te gaan van een termijn van ten minste tien jaren, doch het door de minister ten tijde van belang in dezen gevoerde beleid is vervat in het op 21 november 2008 aan de Vc 2000 toegevoegde onderdeel C4/3.11.3.4 dat, gelet op het daarin ontbreken van de woorden "in beginsel", niet de door de rechtbank bedoelde ruimte biedt.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
