Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RVS:2011:BQ5551

Raad van State · 12-05-2011 · zaaknummer 201006689/1/V1

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

De vreemdeling, van Filippijnse nationaliteit, heeft bij aanvraag van 26 oktober 1988 (hierna: de aanvraag) verzocht om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Bij besluit van 13 juli 1990 is op de aanvraag afwijzend beslist. Bij uitspraak van 21 februari 1995 in zaak nr. R02.93.2274 (RV 1995, 2; hierna: de uitspraak van de Afdeling) heeft de Afdeling de beslissing van 26 maart 1993 waarbij de minister een verzoek om herziening van het besluit van 13 juli 1990 opnieuw heeft afgewezen, vernietigd. Bij besluit van 4 juni 1996 heeft de minister de aanvraag van de vreemdeling opnieuw afgewezen. Dat besluit is door de uitspraak van de Rechtseenheidskamer van de rechtbank 's Gravenhage (hierna: de REK) van 11 september 1997 in zaak nr. 97/4707 (JV 1997/8) in rechte onaantastbaar geworden. De REK heeft in haar uitspraak onder meer overwogen dat op grond van de uitspraak van de Afdeling als in rechte vaststaand moet worden aangenomen dat aan de vreemdeling artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag niet kan worden tegengeworpen. Voorts heeft de REK overwogen dat op grond van de uitspraak van de Afdeling als in rechte vaststaand moet worden aangenomen dat de vreemdeling gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van artikel 1 (A) van het Vluchtelingenverdrag en dat artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) er aan in de weg staat dat de vreemdeling direct of indirect naar zijn land van herkomst wordt verwijderd. Verder heeft de REK overwogen, samengevat en zakelijk weergegeven, dat gezien het ook in de uitspraak van de Afdeling erkende "gewichtig belang van de Nederlandse Staat, te weten de integriteit en geloofwaardigheid van Nederland als soevereine staat, met name in relatie tot zijn verantwoordelijkheden tegenover andere staten", niet gesteld kan worden dat de minister niet op redelijke wijze van zijn bevoegdheid om de aanvraag af te wijzen gebruik heeft gemaakt. Daarbij waren de feiten die ten grondslag lagen aan het in de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 1995 neergelegde oordeel ook voor de REK van doorslaggevende betekenis. Met de Regeling is beoogd een oplossing te bieden voor de problemen die waren ontstaan ten aanzien van vreemdelingen die onder de Vreemdelingenwet (oud) een asielaanvraag hadden ingediend en mede door de lange duur van de procedures nog steeds in Nederland verbleven. Aan deze groep vreemdelingen diende, mede gelet op de verantwoordelijkheid die Nederland heeft voor vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend, zekerheid te worden geboden omtrent hun verblijf in Nederland. Weliswaar heeft de vreemdeling met de doelgroep van de Regeling gemeen dat hij na het indienen van een asielaanvraag op grond van de Vreemdelingenwet (oud) nog immer in Nederland verblijft, doch door de uitspraak van de REK van 11 september 1997 was hem reeds de zekerheid geboden dat hem geen verblijfsvergunning zal worden verleend - om redenen die nog steeds van toepassing zijn - doch dat artikel 3 van het EVRM aan zijn uitzetting in de weg staat. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het standpunt van de minister dat de vreemdeling niet valt onder de strekking en reikwijdte van de Regeling, in rechte stand houdt.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.