ECLI:NL:RVS:2011:BP1931
Raad van State · 17-01-2011 · zaaknummer 200909910/1/V2
Inhoudsindicatie
Irak / alleenstaande vrouw / artikel 15 aanhef en onder c Richtlijn / ‘Salah Sheek’ Uit het door de vreemdeling ingeroepen ambtsbericht – overigens daargelaten dat het niet specifiek ziet op de situatie in Irak ten tijde van de totstandkoming van voormeld besluit – blijkt weliswaar dat vrouwen in Irak in een zorgelijke positie verkeren, maar in dit ambtsbericht wordt tevens vermeld dat volgens de Iraakse grondwet alle Irakezen gelijk zijn voor de wet, dat er sinds het voorjaar van 2003 diverse vrouwenorganisaties zijn opgericht, dat er initiatieven worden genomen ten behoeve van een betere positie van vrouwen in Irak en dat twee vrouwen zitting hebben in de regering. Uit dit ambtsbericht blijkt eveneens dat alleenstaande vrouwen over het algemeen kwetsbaarder zijn. Daaruit blijkt echter ook dat er relatief veel 'female-headed' huishoudens zijn. Hoewel in dit ambtsbericht tevens wordt vermeld dat de soms noodgedwongen rol van de vrouw als kostwinner of verantwoordelijke voor het gezin door mannen niet altijd geaccepteerd wordt in de sociale structuur waar deze vrouwen zich in bevinden, volgt hieruit niet dat alleenstaande vrouwen in Irak dienen te worden aangemerkt als groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. De stelling van de vreemdeling, dat de islam de vrijheid van vrouwen ernstig beperkt, is niet nader geconcretiseerd en biedt daarom evenmin aanleiding om aan te nemen dat vrouwen in Irak een groep vormen als vorenbedoeld. Om een geslaagd beroep op artikel 3 van het EVRM te doen, kan de vreemdeling derhalve niet volstaan met aannemelijk maken dat zij een alleenstaande vrouw is - overigens daargelaten of zij daarin is geslaagd -, maar dient zij tevens met verdere specifieke onderscheidende kenmerken aannemelijk te maken dat zij een reëel risico loopt op een met die bepaling strijdige behandeling. De vreemdeling heeft in beroep betoogd dat sprake is van zulke specifieke onderscheidende kenmerken. Daartoe heeft zij aangevoerd dat in 2005 een van haar collega's op kantoor dodelijk werd getroffen door een rondvliegend projectiel, dat zij in 2006 een kogelbrief heeft ontvangen en dat in augustus 2007 mannen het appartementencomplex waarin zij woonde, hebben bezocht en daarbij scholden op Soennieten. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling aldus niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Het incident van 2005 betrof, zoals de staatssecretaris terecht heeft gesteld, geen tegen de vreemdeling gerichte actie en het incident van 2006 vormde, zoals de staatssecretaris terecht heeft uiteengezet, in aanmerking genomen dat zich nadien tot augustus 2007 geen noemenswaardige gebeurtenissen hebben voorgedaan, geen aanleiding voor haar vertrek uit Irak. Ten aanzien van de gebeurtenissen in augustus 2007 heeft de staatssecretaris zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de aandacht daarbij specifiek op haar persoonlijk was gericht, nu het in de rede had gelegen dat de mannen dan op zijn minst op haar deur hadden geklopt.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
