ECLI:NL:RVS:2011:BP1923
Raad van State · 17-01-2011 · zaaknummer 201011620/1/V3
Inhoudsindicatie
Vreemdelingenbewaring / Algerije / België / gewijzigd standpunt verweerder in hoger beroep In zijn verweerschrift in hoger beroep heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat, samengevat weergegeven, van de vreemdeling mag worden verwacht dat hij zijn verklaring dat hij in België een verblijfsvergunning heeft aangevraagd, met documenten staaft. Als de vreemdeling dit doet, is niet uitgesloten dat alsnog een claim kan worden ingediend bij de Belgische autoriteiten, aldus de minister. Ter zitting van de Afdeling heeft de minister zijn standpunt gewijzigd. Hoewel hij, door in zijn brief aan de rechtbank van 24 november 2010 mee te delen dat momenteel geen mogelijkheid bestaat de vreemdeling te claimen, heeft gesuggereerd dat de mogelijkheid bestaat op een later tijdstip alsnog een claim in te dienen, moet dit volgens de minister voor onjuist worden gehouden. De minister volgt de vreemdeling in zijn stelling dat alle gegevens zijn vergeleken en de minister op grond daarvan zelf heeft beslist af te zien van een claim. De minister volgt de vreemdeling evenwel niet in zijn conclusie dat de vreemdelingenbewaring slechts is gestoeld op de aanvraag om afgifte van een laissez passer door de Algerijnse autoriteiten. Daartoe heeft de minister erop gewezen dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken blijkt dat de vreemdeling vele aliassen heeft gebruikt en zijn nationaliteit allerminst vaststaat. De brief van de minister van 22 november 2010 en het zogenoemde Model M120 bevatten gegevens die erop wijzen dat de vreemdeling mogelijk de Marokkaanse nationaliteit bezit. Er bestaat volgens de minister dan ook geen grond voor het oordeel dat het zicht op uitzetting op enig moment heeft ontbroken. Desgevraagd heeft de minister verklaard dat hij nog geen handelingen ter voorbereiding van een mogelijke uitzetting van de vreemdeling naar Marokko heeft verricht. De brief van de minister van 22 november 2010 en het zogenoemde Model M120, waarnaar de minister ter zitting van de Afdeling heeft verwezen, bevonden zich reeds in beroep onder de op de zaak betrekking hebbende stukken. Niettemin heeft de minister zich in beroep en in zijn verweerschrift in hoger beroep uitsluitend op het standpunt gesteld dat het zicht op uitzetting niet ontbrak, omdat de vreemdeling naar Algerije kon worden uitgezet dan wel aan de Belgische autoriteiten kon worden overgedragen. Voor zover de minister eerst ter zitting van de Afdeling heeft betoogd dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt, omdat hij thans het voornemen heeft om te onderzoeken of de vreemdeling naar Marokko kan worden verwijderd, heeft hij zijn standpunt wezenlijk gewijzigd. Omdat de minister geen omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat hij dit gewijzigde standpunt niet eerder naar voren heeft kunnen brengen, kan zijn betoog in zoverre niet bij de beoordeling van dit hoger beroep worden betrokken. Nu het niet mogelijk is de vreemdeling binnen redelijke termijn naar Algerije uit te zetten dan wel hem aan de Belgische autoriteiten over te dragen, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt.
Advocaten
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
