ECLI:NL:RVS:2011:BP1922
Raad van State · 14-01-2011 · zaaknummer 201004196/1/V3
Inhoudsindicatie
De rechtbank heeft, onder verwijzing naar arrest van het Europees Hof voor het Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), Bahaddar tegen Nederland, van 19 februari 1998, nr. 145/1996/764/965, JV 1998/45 (hierna: het arrest Bahaddar), overwogen dat, in het licht van de omstandigheid dat de minister in de eerdere procedure niet inhoudelijk aan artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft getoetst, de door de vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden – zoals die blijken uit met name het in origineel overgelegde arrestatiebevel van de Young Communist League (hierna: de YCL) van 28 januari 2008, maar ook uit de verklaringen van het Nepalese Congres van 12 februari 2009 en van de Mensenrechten Organisatie te Nepal van 5 december 2008 – zodanig zwaarwegend zijn, dat de door de vreemdeling ingediende aanvraag niet onder verwijzing naar het eerdere besluit kon worden afgewezen. Daarbij heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen hetgeen in het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van november 2008 inzake Nepal over de YCL is opgenomen, waaronder de mededeling dat de YCL in het hele land actief is en in verband wordt gebracht met afpersing, bedreigingen, ontvoeringen en mishandeling. Daarnaast zijn tijdens de verslagperiode meldingen geweest dat deze organisatie zich bezighoudt met onofficiële "wetshandhaving", in welk kader mensen zouden zijn mishandeld, aldus voormeld ambtsbericht. In de enige grief klaagt de minister onder meer dat de rechtbank, door aldus te overwegen, ten onrechte is voorbijgegaan aan de vraag naar de authenticiteit van de door de vreemdeling overgelegde documenten. Door te overwegen dat de hiervoor onder 2.1. genoemde door de vreemdeling overgelegde documenten zodanig zwaarwegend zijn dat de door de vreemdeling ingediende herhaalde asielaanvraag, gelet op het arrest Bahaddar, niet onder verwijzing naar het eerdere besluit kon worden afgewezen, is de rechtbank er ten onrechte aan voorbijgegaan dat in de bestuurlijke fase niet is komen vast te staan dat sprake is van authentieke documenten. Voor de beantwoording van de vraag of een document mogelijk kan worden aangemerkt als een bijzonder feit of bijzondere omstandigheid als bedoeld in overweging 45 van het arrest Bahaddar is van belang dat dat document authentiek is. De rechtbank had derhalve, voordat zij tot toetsing van het besluit kon overgaan, moeten beoordelen of dat het geval is en in dat kader de vreemdeling in de gelegenheid moeten stellen de authenticiteit van de overgelegde documenten aan te tonen. Dat de minister in het besluit van 21 oktober 2009 en het voornemen daartoe is voorbijgegaan aan de vraag of de overgelegde documenten authentiek zijn, maakt dit niet anders. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 11 augustus 2004 in zaak nr. 200406093/1; AB 2004, 406), dient de rechter, ter bepaling van zijn bevoegdheid om een inhoudelijk oordeel te geven over een besluit op een herhaalde aanvraag, ambtshalve te treden in de vraag of sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest Bahaddar.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
