Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RVS:2010:BO8020

Raad van State · 15-12-2010 · zaaknummer 200901971/1/V2

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / nova-toets / onherroepelijke afwijzing asielaanvraag Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de onder 2.1.1. vermelde uitspraak van 22 juli 2010), volgt dat een vreemdeling in de procedure tegen zijn ongewenstverklaring kan aanvoeren dat sprake is, of had moeten zijn, van rechtmatig verblijf dat in de weg staat aan de aanwending van de bevoegdheid tot ongewenstverklaring over te gaan. Als een eerdere afwijzing van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning echter in rechte onaantastbaar is geworden, kan de rechter het door de vreemdeling bedoelde rechtmatig verblijf slechts bij de beoordeling van het beroep tegen de ongewenstverklaring betrekken, als de vreemdeling ter zake nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangetoond, uit het door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, dan wel als hij bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden heeft aangevoerd, bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), Bahaddar tegen Nederland, van 19 februari 1998 in zaak nr. 145/1996/764/965, JV 1998/45. Aan het besluit van 12 augustus 2008 heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat artikel 3 van het EVRM zich niet tegen de ongewenstverklaring van de vreemdeling verzet. Onder verwijzing naar het besluit van 3 december 1998 heeft hij zich op het standpunt gesteld dat in rechte onaantastbaar is dat de bekering van de vreemdeling tot het christendom ongeloofwaardig is. De vreemdeling heeft in het beroep tegen het besluit van 12 augustus 2008 aangevoerd dat artikel 3 van het EVRM zich wel tegen zijn ongewenstverklaring verzet, omdat hij bij terugkeer naar Iran het reële risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling, vanwege zijn bekering tot het christendom. Nu met het besluit van 3 december 1998 in rechte onaantastbaar is geworden dat niet geloofwaardig is dat de vreemdeling zich tot het christendom heeft bekeerd en artikel 3 van het EVRM zich niet tegen zijn terugkeer naar zijn land van herkomst verzet, diende de rechtbank bij de toetsing van het besluit van 12 augustus 2008 ambtshalve te beoordelen of de vreemdeling ter zake nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Door op grond van de enkele vaststelling dat de staatssecretaris de stelling van de vreemdeling niet heeft weersproken dat hij een christen is die actief van zijn geloof doet blijken en ook anderen hiertoe uitnodigt, ervan uit te gaan dat de vreemdeling daadwerkelijk een christen is die een dergelijke geloofsovertuiging aanhangt, heeft de rechtbank vorenbedoelde beoordeling niet daadwerkelijk verricht. Nu de vreemdeling niet heeft aangetoond dat hij zich - zoals hij stelt - in Nederland heeft bekeerd, heeft hij geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als vorenbedoeld aangetoond. Het hiervoor onder 2.2.1. bedoelde wetsvoorstel is evenmin een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Omdat de vreemdeling niet heeft aangetoond te zijn bekeerd, is het wetsvoorstel dat zodanige bekering met de doodstraf bedreigt voor hem immers niet relevant. Nu de vreemdeling niet heeft aangetoond te zijn bekeerd, uit het door hem aangevoerde niet kan worden afgeleid dat sprake is van een voor hem relevante wijziging van het recht en hij geen bijzondere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd als bedoeld in voormeld Bahaddar-arrest van het EHRM, heeft de rechtbank ten onrechte, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 17 december 2008 - die overigens bij uitspraak van de Afdeling van 19 augustus 2009 in zaak nr. 200900213/1 (www.raadvanstate.nl) is vernietigd - overwogen dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt bij terugkeer naar Iran het reële risico te lopen op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.