ECLI:NL:RVS:2010:BO6348
Raad van State · 26-11-2010 · zaaknummer 201006508/1/V1
Inhoudsindicatie
COa / (voortgaande) medische behandeling / geen algemene zorgplicht voortvloeiend uit art. 8 EVRM De vreemdeling heeft gesteld dat zich in haar geval bijzondere omstandigheden voordoen en heeft in dit verband gewezen op haar medische situatie. Uit de door haar overgelegde medische gegevens blijkt dat de medische behandeling van de vreemdeling bestaat uit een chronische behandeling van HIV en controle op mogelijke infectie met tuberculose. Voorts blijkt uit deze gegevens dat de psychische toestand van de vreemdeling niet stabiel is, dat zij depressieve klachten heeft en dat zij mogelijk zal decompenseren. De medische behandeling van haar zoon bestaat uit controle op mogelijke besmetting met HIV. Het COa heeft, onder verwijzing naar Afdelingsjurisprudentie (de uitspraak van 7 januari 2004 in zaak nr. 200307272/1; ter voorlichting van partijen aangehecht), in de door de vreemdeling gestelde omstandigheden, afzonderlijk alsook in samenhang beschouwd, geen aanleiding gezien om aan te nemen dat sprake was van een acute medische noodsituatie in vorenbedoelde zin. De rechtbank heeft miskend dat het COa zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. De vreemdeling en haar zoon kunnen ingevolge artikel 10 van de Vw 2000 ook na beëindiging van de verstrekkingen aanspraak maken op voortgaande medische behandeling. De enkele omstandigheid dat aan de overige verstrekkingen een einde komt, betekent niet dat deze behandeling niet mogelijk zal zijn. De uitspraak van de CRvB van 19 april 2010, waarnaar de rechtbank heeft verwezen, leidt niet tot een ander oordeel. In deze uitspraak heeft de CRvB geoordeeld over aanspraken van een rechtmatig hier te lande verblijvende vreemdeling in andere medische omstandigheden op voorzieningen op grond van een andere wettelijke regeling. Reeds daarom bestond er voor de rechtbank, oordelend als vreemdelingenrechter, geen grond om die uitspraak na te volgen. Uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens kan niet worden afgeleid dat voor het COa een algemene verplichting bestaat om aan al dan niet rechtmatig verblijvende vreemdelingen en hun kinderen opvang te verlenen. Gelet hierop, alsmede in aanmerking genomen het onder 2.2.1 - 2.2.3 overwogene, heeft de rechtbank niet onderkend dat het COa, nu zich in dit geval geen zeer bijzondere omstandigheden, afzonderlijk noch in samenhang beschouwd, voordoen, de aan de vreemdeling en haar zoon verleende opvang niet hoefde voort te zetten. Grief 1 slaagt.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
