ECLI:NL:RVS:2010:BO4903
Raad van State · 17-11-2010 · zaaknummer 201003630/1/V1
Inhoudsindicatie
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 juli 2010 in zaak nr. 201001769/1/V2; www.raadvanstate.nl) is het gevolg dat artikel 67, derde lid, van de Vw 2000 aan de ongewenstverklaring verbindt, dat de desbetreffende vreemdeling geen rechtmatig verblijf kan hebben, zolang de ongewenstverklaring voortduurt. Bij beoordeling van een beroep van een vreemdeling tegen een besluit over een aanvraag tot verlening of verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning, dan wel een intrekking daarvan heeft hij, zolang hij ongewenst is verklaard, derhalve geen belang. Dit beroep kan immers nimmer tot rechtmatig verblijf leiden. Ook indien het niet hebben van rechtmatig verblijf van de desbetreffende vreemdeling een vereiste is om van de bevoegdheid tot ongewenstverklaring gebruik te maken, kan hij aan het in het besluit tot ongewenstverklaring neergelegde oordeel over de rechtmatigheid van het verblijf dat aan ongewenstverklaring ten grondslag ligt zodanig belang niet ontlenen. De vraag of sprake is, of had moeten zijn, van rechtmatig verblijf, kan ten volle bij de beoordeling van het besluit tot ongewenstverklaring aan de orde worden gesteld. Aldus wordt gewaarborgd dat in rechte kan worden getoetst of sprake is, of had moeten zijn, van rechtmatig verblijf dat aan de aanwending van de bevoegdheid tot ongewenstverklaring over te gaan in de weg staat. Door beslissend te achten dat de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in rechte was komen vast te staan nu de vreemdeling geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 21 oktober 2009, heeft de rechtbank het in 2.2.2. weergegeven kader niet voldoende onderkend. De vreemdeling had juist geen belang bij beoordeling van zijn beroep tegen het besluit van 18 maart 2009, voor zover dat strekt tot afwijzing van de aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, omdat hij de vraag of sprake is, of had moeten zijn, van rechtmatig verblijf, ten volle in de procedure inzake de ongewenstverklaring aan de orde kan stellen. Derhalve ligt de beoordeling van het 'asielverzoek' als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn in dit geval besloten in de procedure inzake de ongewenstverklaring. Nu ten tijde van de aangevallen uitspraak de ongewenstverklaring nog niet in rechte onaantastbaar was, was gezien de definitie van het begrip 'definitieve beslissing' in artikel 2, aanhef en onder d, van de Procedurerichtlijn, geen sprake van een definitief besluit in de zin van artikel 2, aanhef en onder c, van de Opvangrichtlijn. De vreemdeling moet daarom worden aangemerkt als asielzoeker als bedoeld in laatstgenoemde bepaling. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De klacht is terecht voorgedragen, maar de grief kan, gelet op het volgende, niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
