ECLI:NL:RVS:2008:BD9028
Raad van State · 17-07-2008 · zaaknummer 200804220/1
Inhoudsindicatie
Vreemdelingenbewaring / nà aaneenschakeling feestdagen c.q. blokdagen ligt het op de weg van de Staatssecretaris om ter voorbereiding van de uitzetting van de vreemdeling een meer dan gebruikelijke voortvarendheid te betrachten De vreemdeling is op 25 april 2008 gehoord met het oog op de nadere vaststelling van zijn identiteit. Op 29 april 2008 heeft de DT&V de op de zaak betrekking hebbende stukken ontvangen. Op 30 april 2008 heeft de DT&V een bij fax verzonden kopie van een op de naam van de vreemdeling gesteld travel document van de UNMIK ontvangen. Op 6 mei 2008 is de zaak toebedeeld aan een zogenoemde regievoerder van deze dienst. Op 8 mei 2008 is een vertrekgesprek gevoerd met de vreemdeling en is een zogeheten UNMIK Readmission Request ingevuld en verzonden naar de afdeling Bijzonder Vertrek. Op 19 mei 2008 is deze aanvraag naar UNMIK verzonden. De staatssecretaris heeft ter zitting bij de rechtbank uiteengezet dat vanwege de feestdagen op 30 april 2008 en 1 mei 2008, gevolgd door de zogeheten blokdagen waarop niet werd gewerkt op 2 en 5 mei 2008, het dossier van de vreemdeling eerst op 6 mei 2008 is toebedeeld aan een regievoerder van de DT&V. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 juni 2008 in zaak nr. 200803529/1; www.raadvanstate.nl), kan bij de te verlangen voortvarendheid in aanmerking worden genomen dat, bijzondere omstandigheden daargelaten, van de staatssecretaris redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat ook buiten de reguliere werkdagen steeds onverkort dezelfde inspanningen worden gepleegd. Indien sprake is van een langere aaneenschakeling van dagen die niet als (reguliere) werkdag zijn aan te merken, zoals in de periode van 30 april 2008 tot en met 5 mei 2008 het geval was, mag van de staatssecretaris evenwel worden verlangd dat hij de nodige voorzieningen treft om te voorkomen dat als gevolg daarvan langer dan in het desbetreffende geval nog gerechtvaardigd is te achten geen concrete op de uitzetting gerichte activiteiten worden verricht. De staatssecretaris heeft ter zitting verklaard dat in het geval van de vreemdeling geen bijzondere voorziening als hiervoor bedoeld is getroffen. Gelet op de handelingen die op dat moment reeds waren verricht in het kader en ter voorbereiding van de uitzetting, als hiervoor onder 2.3.1. weergegeven, leidt dat, ondanks de aanwezigheid van de kopie van voormeld UNMIK travel document, op zichzelf niet tot het oordeel dat vóór 8 mei 2008 onvoldoende voortvarendheid is betracht. Nu in de periode van 30 april 2008 tot 6 mei 2008 geen bijzondere voorziening als hiervoor bedoeld is getroffen en de staatssecretaris vanaf 30 april 2008 een kopie van voormeld UNMIK travel document had, lag het op de weg van de staatssecretaris bij de verdere handelingen ter voorbereiding van de uitzetting een meer dan gebruikelijke voortvarendheid te betrachten om de uitzetting van de vreemdeling te realiseren. In aanvulling op hetgeen onder 2.3.1. is weergegeven, heeft de staatssecretaris ter zitting uiteengezet dat op 8 mei 2008 de regievoerder van de DT&V de op de zaak betrekking hebbende stukken per post heeft verzonden naar de afdeling Bijzonder Vertrek. Op 14 mei 2008 zijn deze stukken bij deze afdeling ontvangen. Omdat een verzoek aan UNMIK om in te stemmen met de terugkeer van een vreemdeling naar Kosovo slechts per e-mail kan worden ingediend, is de regievoerder van de DT&V op 14 mei 2008 verzocht om de voor het verzoek betreffende de vreemdeling benodigde stukken in te scannen en digitaal te retourneren. Op 16 mei 2008 zijn deze stukken ontvangen bij de afdeling Bijzonder Vertrek. Op 19 mei 2008 is bedoeld verzoek met deze stukken per e-mail naar UNMIK verzonden. Nu de staatssecretaris ter zitting heeft verklaard dat een verzoek aan UNMIK om in te stemmen met de terugkeer van een vreemdeling naar Kosovo slechts per e-mail kan worden ingediend, valt niet in te zien waarom de regievoerder de voor het verzoek betreffende de vreemdeling benodigde stukken niet reeds op 8 mei 2008 heeft kunnen scannen en verzenden naar de afdeling Bijzonder Vertrek. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris vanaf 8 mei 2008 de in deze zaak vereiste, meer dan gebruikelijke, voortvarendheid heeft betracht.
Advocaten
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
